Opinie
Vrijzinnige politiek: gemeenschapszin zonder knellend moralisme - door Hans Alma
Wie de belangrijke politieke discussies van de laatste tijd volgt, ziet hoe de politiek tobt met het bewaren of versterken van gemeenschapszin in een sterk geïndividualiseerde en pluriforme samenleving. In hoeverre kan de overheid moraliseren zonder individuele vrijheden geweld aan te doen, en zonder in een knellende betutteling te vervallen? Een actueel thema is bovendien hoe levensbeschouwing en religie daarbij een rol kunnen, moeten of juist absoluut niet mogen spelen.
Over moraliseren lopen de meningen zeer uiteen: waar de één de Nederlandse neiging tot moralisme betreurt, ziet de ander juist een betreurenswaardig gebrek daaraan, terwijl een derde zich verheugt dat we weer durven moraliseren. Wanneer wat nader ingegaan zou worden op de aard van de moraal die al dan niet gepredikt moet worden, zou de diversiteit ongetwijfeld nog groter worden. Want bij alle grote woorden over de waarden en normen die eigen zouden zijn aan de Nederlandse cultuur, ontbreekt het aan een goed inhoudelijk debat daarover. Columnisten slaan elkaar om de oren met stelligheden over de westerse en islamitische cultuur, maar tot een goede reflectie daarop komt het in onze media zelden. Misschien is dat eigen aan ons mediabeleid. NRC-redacteur Sjoerd de Jong pleit weliswaar op een paginagroot artikel in Opinie & Debat voor een matiging van toon ten behoeve van de kwaliteit van het debat over de westerse cultuur, maar de praktijk is dat gematigde, genuanceerde geluiden weinig kans maken op publiciteit. De media houden van stevige oneliners en wie daar goed in is, kan op veel aandacht rekenen. De media dragen zo bij tot een maatschappelijke realiteit van polarisatie en vijanddenken.
En de politiek? Politici bevinden zich in een lastig parket. De media vormen de belangrijkste spreekbuis naar de kiezers. Zij moeten zich goed verkopen, hun mening direct paraat hebben, overtuigend en daadkrachtig zijn. Dat alles verdraagt zich niet goed met nuance en diepgang. Nuance en diepgang gaan bovendien verloren in de opmars van radicaler links en radicaler rechts, waartegen de meer gematigde politiek stelling moet nemen. Media en politiek hebben te maken met een publiek dat vraagt om duidelijkheid, om mensen die ergens voor stáán, om identiteitsbepalende figuren. De Belgische politicoloog Rik Coolsaet signaleert in Europa maar ook wereldwijd een groeiend belang van identiteit. In NRC Handelsblad van 8 september stelde hij dat de politiek daarop inspeelt en dat gevoel manipuleert: de behoefte je ergens aan vast te klampen. Bas Heijne, columnist en redacteur van NRC, plaatst het belang van identiteit in een wat ander perspectief. Het feit dat mensen deel uitmaken van een pluriforme samenleving en het besef dat ze in een wereld leven die niet meer uit één stuk bestaat, maar uit talloze groepen met een verschillende herkomst, geeft hun een nieuw zelfbewustzijn. Ze ontlenen er het recht aan om er hun eigen, specifieke opvattingen op na te houden, hun eigen identiteit te huldigen en hun eigen groep te kiezen. Heijne ziet dit als een reactie tegen de verlichte, universalistische idealen van na de Tweede Wereldoorlog. De humanistische verwachting van een algemene verbroedering der mensheid heeft volgens hem plaatsgemaakt voor een zich terugtrekken in de eigen kring. In het verlengde hiervan stelt hij dat veel verhitte discussies in de Nederlandse media over Europa, secularisme en de multiculturele samenleving geen uitwisseling van argumenten zijn, maar eerder een afbakenen van de eigen identiteit tegenover de andere. Dat geldt net zo goed voor aanhangers van Verlichtingsidealen als voor orthodox-godsdienstigen. Onze identiteit hangt volgens Heijne vooral samen met datgene waarin we willen geloven – en dat is zelden gebaseerd op zuivere redelijkheid.
Karl Popper, die toch moeilijk van onredelijkheid beticht kan worden, stelt dat vijanden van de open samenleving pogen te voldoen aan een zeer reële behoefte: het bestrijden van ongeluk dat voortkomt uit sociale verandering en sociale tweedracht. Onder een open samenleving verstaat hij de samenleving waarin individuen met persoonlijke beslissingen worden geconfronteerd, tegenover de magische, tribale of collectivistische samenleving die hij als de gesloten samenleving aanduidt. Popper stelt dat ook de open samenleving een geloof nodig heeft, nl. het humanitaristische gedachtegoed, en dat dit geloof onder woorden gebracht moet worden wil het aantrekkingskracht kunnen uitoefenen en op kunnen wegen tegen de kracht van traditie en de roep om oude waarden te verdedigen. Bij Popper vinden we een groot vertrouwen op de rede, de vrijheid en de broederschap van alle mensen – een vertrouwen dat in het huidige culturele klimaat zowel aanlokkelijk als problematisch is. Wat hoe dan ook blijft staan is de actualiteit van zijn besef dat theorieën en mythes in de open samenleving steeds weer in twijfel moeten worden getrokken en kritisch moeten worden besproken, maar dat dit gepaard moet gaan met een nieuw geloof in de open samenleving en in rechtvaardigheid voor allen, wil tegenwicht geboden kunnen worden aan de hang naar een verloren gegaan gevoel van eenheid.
Met een beroep op het denken van Karl Popper, pleit de socioloog Anton Zijderveld voor twijfel als grondhouding en als voorwaarde voor levende democratie. Hij benadrukt dat twijfelen niet hetzelfde is als weifelen of aarzelen. Twijfelen gebeurt niet uit angst of laksheid, maar is een geesteshouding waarin verschillende mogelijkheden serieus overwogen worden, tegenover de zekerheid die voor de één door God, voor de ander door noodzakelijkheid en causaliteit wordt geboden. Twijfel belemmert iedere vorm van fanatisme, dat zich beroept op een waarheid die het in pacht lijkt te hebben. Het is geen wonder dat Karl Popper niet alleen pleitte voor een open samenleving, maar ook voor een open wetenschap die uitgaat van twijfels – wetenschappelijke waarheid is twijfelachtige waarschijnlijkheid die door nader onderzoek ondergraven kan worden. Zijderveld stelt dat democratie eveneens gefundeerd is op het principe van de twijfel: het meerpartijenstelsel en de scheiding der machten waardoor voortdurende tegendruk, controle en correctie plaatsvinden, staan in feite voor geïnstitutionaliseerde twijfel. Zijderveld typeert democratische gezindheid als de wil om aan twijfel de ruimte te bieden. De twijfel moet echter geworteld zijn in wederzijds vertrouwen, wil zij politiek vruchtbaar kunnen zijn. Een bewindspersoon moet opstappen wanneer het parlement zijn vertrouwen in hem of haar heeft verloren. Deze specifieke combinatie van twijfel en vertrouwen is eigen aan een geesteshouding die ik met de term vrijzinnig aanduid. Vrijzinnigheid is zowel op levensbeschouwelijk als op politiek gebied te vinden. Het overstijgt scheidslijnen tussen groepen en partijen. Het wordt wel gevoed vanuit een bepaalde levensbeschouwelijke of politieke traditie, maar zal deze ook kritisch bevragen en zo openingen creëren naar nieuwe manieren van denken en handelen.
Wikipedia geeft drie duidingen van de term vrijzinnigheid: vrijzinnigheid als het tegenovergestelde van een rechtzinnige of orthodoxe manier van omgaan met een bepaalde ideologie of stroming; vrijzinnigheid als afstand nemen van de dogma’s van het meer traditionele christendom, variërend van kerkelijke rekkelijkheid tot agnosticisme of atheïsme; en vrijzinnigheid als een liberaal principe van vrijheid van denken, zich manifesterend in vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid etc. Deze drie specificeringen van het begrip sluiten elkaar geenszins uit: je kunt als vrijzinnig sociaal-democraat tot een vrijzinnigprotestantse kerk behoren, en je samen met politici uit andere partijen inzetten voor het liberale principe van vrijheid van denken. Daarin schuilt misschien het lastige van dit begrip: wie vrijzinnig is, maakt zich wat ongrijpbaar; hij of zij is niet zo gemakkelijk te identificeren of te positioneren. Het is verrassend moeilijk om vrijzinnigheid in eenduidige, positieve termen te karakteriseren, juist omdat vrijzinnigen geen scherpe grenzen willen trekken tussen groepen, en recht willen doen aan de vrijzinnigheid zoals die in verschillende groeperingen is aan te treffen. Openheid voor de buitenwereld en kritisch denken zijn gelukkig op diverse plaatsen te vinden.
Popper en Zijderveld en de traditie van de vrijzinnigheid wijzen m.i. op iets dat van groot belang is voor het humanisme, dat ik naar zijn aard open en vrijzinnig zou willen noemen. Van Popper kunnen we leren dat ook een vrijzinnige zijn of haar identiteit ontleent aan datgene waarin hij of zij wil geloven: de humanitaire waarden die ten grondslag liggen aan een open samenleving. De door Popper verdedigde humanistische opvatting dat mensen vrij kunnen denken en van daaruit verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de vormgeving van hun bestaan, berust uiteindelijk op een niet rationeel te verdedigen mensvisie. De vrijzinnige overtuiging is echter dat een dergelijk geloof gecombineerd kan worden met een zelfkritische reflectie die de eigen neiging om ideologisch te denken bloot legt. De vrijzinnige moedigt redelijkheid aan, maar onderwerpt ook wat in naam van de rede gezegd, gedacht en gedaan wordt aan kritiek. Identiteit en waarheid zijn vanuit deze optiek geen absolute gegevens, maar termen die een sociaal proces aanduiden.
Een werkelijk vrijzinnig humanisme heeft m.i. een belangrijke boodschap voor de politiek. Zij maakt een levensbeschouwelijke oriëntatie in de politiek mogelijk, die niet gepaard gaat met hokjesdenken of betutteling. Humanisme kan de politiek helpen zich door humanitaire waarden te laten leiden in haar vormgeving aan een open, democratische samenleving. Ik bepleit geen humanistische politieke partij, naast christelijke, socialistische en liberale partijen. Ik bepleit dat het humanisme in gesprek gaat met vrijzinnige stromingen binnen de verschillende politieke partijen, ten behoeve van een herbronning van de vrijzinnigheid in onze politiek. Openheid, democratie en vrijzinnigheid zijn kwetsbaar. De nuances van een vrijzinnige politiek gaan vaak verloren in het gevecht om media-aandacht. Die nuances zijn weinig geliefd bij mensen die stelligheid aanhangen en bij de tegenstander ook graag stelligheid zien, die zij dan fel kunnen bestrijden. De kwetsbaarheid van een open samenleving maakt het noodzakelijk krachten te bundelen op een manier die de openheid geen geweld aandoet. Vrijzinnigheid behoeft een gemeenschap waarin de vrijzinnige identiteit getoetst en verder vormgegeven kan worden. Daarin schuilt voor mij het belang van een georganiseerd humanisme dat een platform biedt voor dialoog en levensbeschouwelijke herbronning.
Dat roept de klemmende vraag op of gemeenschapszin zich laat denken zonder de dogmatiek en het knellende moralisme waar vrijzinnigen afstand van nemen? Kan vrijzinnige politiek meer zijn dan vrijblijvende borrelpraat, waarbij de gemeenschapszin in het café gezocht moet worden? Ik denk dat vrijzinnige politiek ons wel degelijk kan helpen zinvol om te gaan met een wereld waarin onze diepste overtuigingen voortdurend weersproken zullen worden. Volgens mij is het de kunst om het door Popper noodzakelijk geachte geloof in humanitaire waarden krachtiger te formuleren. Aan die waarden kan slechts in een voortgaande dialoog en in sociale processen met een open einde recht worden gedaan. Maar dat is geen reden er alleen in abstracte termen over te spreken. Er zijn concretiseringen mogelijk in projecten, thematische besprekingen, beeldende vormen. Ik hoop dat het humanisme kan bijdragen aan het verwoorden en verbeelden van het geloof in een open, rechtvaardige en solidaire samenleving. Onze samenleving heeft inspiratie nodig, een vitalisering van waarden die ouder zijn dan de Verlichting en die ook in andere culturen dan de Westerse te vinden zijn. Nagedacht moet worden over vormen die mensen kunnen overtuigen dat de open samenleving hen iets te bieden heeft, en dat het de moeite waard is oude zekerheden daarvoor los te laten. Ik denk dat er op kleine schaal veel hoopgevende initiatieven te vinden zijn, ontwikkeld door educatieve of culturele instellingen, of door mensen die iets in hun wijk organiseren. Ik acht het van groot belang dat ook in de politiek iets van deze overtuiging kan doorklinken en dat er een morele inzet ontstaat die meer behelst dan een moraliserend beroep op de Nederlandse waarden en normen. Een morele inzet gericht op het gezamenlijk vormgeven aan een veranderende Nederlandse samenleving.
Als voorbeeld van het geloof in humanitaire waarden en het handen en voeten geven aan dat geloof, noem ik inzet voor de mensenrechten. Deze zijn van essentieel belang in een open samenleving. Zij zijn geen absoluut gegeven, maar hun universele belang is m.i. onopgeefbaar. Zij spreken elkaar soms tegen, waardoor er in concrete situaties voortdurend naar een balans zal moeten worden gezocht. Bestuurders en politici zullen hier vorm aan moeten geven in een dynamisch maatschappelijk proces. Daarbij zullen verschillende belangen tegen elkaar afgewogen moeten worden. In zijn boek Human rights, human plights in a global village, dat binnenkort uitkomt, pleit Rob Buitenweg ervoor aan economische, sociale en culturele rechten die het mensen mogelijk maken in waardigheid te leven, hetzelfde belang te hechten als aan burgerlijke en politieke rechten. Hij bestrijdt dat deze laatste duidelijker, eenduidiger en beter afdwingbaar zouden zijn, zoals vaak betoogd wordt. Ik zie het als uitdaging voor vrijzinnige politiek om bij te dragen aan deze en andere discussies die rondom mensenrechten gevoerd worden, en aan de vormgeving daarvan in een laatmoderne, globaliserende samenleving. Ik denk dat vrijzinnige politiek zo inhoud kan geven aan haar morele inzet en initiatieven kan ontwikkelen om herkenbaarheid en samenbindende kracht te geven aan een open samenleving.
Een open samenleving van mensen met een afgebakende groepsidentiteit en eigen ideologie is een contradictio in terminis. Een open samenleving van mensen zonder enige binding en met slechts rationaliteit als leidraad, is niet haalbaar. Een open samenleving is noodzakelijk een gemeenschap van mensen met diverse groepsbindingen, die mede identiteitsbepalend zijn. Mensen brengen hun eigen tradities mee, maar kunnen wel het commitment aangaan zich daarop kritisch te laten bevragen. Omgekeerd kunnen ze zich bereid verklaren kritisch na te denken over de tradities waar anderen in staan en daarvan te leren. De eigen traditie kan vormend in plaats van normerend zijn. Een vrijzinnige politiek die een voorbeeldfunctie kan vervullen in een dergelijke samenleving, is gebaat bij een pluriforme achtergrond aan politieke en levensbeschouwelijke tradities, maar ook aan een breder cultuurhistorisch, sociaal filosofisch en menswetenschappelijk kader in het licht waarvan die tradities begrepen en bevraagd kunnen worden. Die kritische doordenking maakt nieuwe perspectieven op problemen in de samenleving mogelijk. De grote uitdaging is hoe aan die perspectieven vorm gegeven kan worden zonder moralisme, maar ook zonder vrijblijvendheid. Een beroep op de redelijkheid van mensen zal daarvoor onvoldoende zijn. Er zal een nieuw elan moeten ontstaan, dat mensen het gevoel geeft mee te kunnen doen aan iets dat de moeite waard is. Vrijzinnige politiek heeft behoefte aan intellectuele, morele en levensbeschouwelijke bronnen van waaruit aan een open samenleving vorm gegeven kan worden. Een humanisme dat durft te vertrouwen in de kracht van haar eigen waarden én de twijfel hoog in haar vaandel houdt als hart van een open en vrije dialoog, kan de politiek hierin voeden.
Hans Alma
hoogleraar Psychologie en zingeving aan de Universiteit voor Humanistiek
Dit artikel is een bewerking van de toespraak van Hans Alma gehouden tijdens de Algemene Ledenvergadering van het Humanistisch Verbond op 24 november 2007
(4 december 2007)