Opinie
Kabinet heeft geen antwoord op de grote vragen van deze tijd - door Godfried Engbersen
In mei 2006 publiceerde de Koninklijke Academie van Wetenschappen het rapport ‘Samenleven en samenwerken’. Daarin werd een agenda voor de sociologie geformuleerd in het licht van de belangrijkste maatschappelijke veranderingen. Sommigen van de opstellers waren aangenaam verrast toen een half jaar later de titel terugkeerde in het nieuwe regeerakkoord van CDA, PvdA en ChristenUnie. Toch sloeg deze vreugde vrij snel om in teleurstelling toen men kennis nam van het regeerakkoord – en dat geldt zeker als we nu de vruchten zien van de politieke verkenningstocht door Nederland in 100 dagen. De grote vraagstukken van deze tijd worden wel aangestipt, maar de politieke antwoorden zijn weinig vernieuwend.
De onderzoeksagenda van de sociologen luidde ‘Samenleven en samenwerken onder condities van globalisering en individualisering’. Globalisering en individualisering zijn de belangrijkste processen die de inrichting van de samenleving veranderen. Enerzijds hebben burgers in westerse samenlevingen meer mogelijkheden om zelf invulling te geven aan hun eigen bestaan, terwijl zij tegelijkertijd afhankelijker zijn geworden van meeromvattende, grensoverschrijdende netwerken en verbanden. De lotsverbondenheid van burgers met directe familieleden, buurtbewoners, een bedrijf, een kerkgenootschap en landgenoten is losser en zwakker geworden, terwijl de afhankelijkheid van ‘verre’ politieke organisaties en ondernemingen zijn toegenomen en versterkt. Dat laatste ondervinden bijvoorbeeld de huidige klanten van de ABN Amro.
De centrale vraag is wat de gevolgen zijn van processen van globalisering en individualisering voor de kerninstituties die we kennen uit de vorige eeuw, zoals de natiestaat, de verzorgingsstaat, de lokaal gewortelde multinationale onderneming, de familie, het onderwijs, de kerken, het arbeidsbestel, et cetera. Welke sociale veranderingen doen zich voor en welke nieuwe instituties of bindingen komen in de plaats van de oude? In het laatste geval kunnen we, bijvoorbeeld, denken aan de groeiende betekenis van internationale, politieke organisaties en transnationaal beleid (EU), aan het bestaan van meervoudige bindingen en loyaliteiten bij burgers, aan veranderende verhoudingen tussen de generaties. Het is de taak van de politiek om deze veranderingsprocessen te sturen en bij te dragen aan de noodzakelijke vernieuwing van instituties. Waarover moeten nationale staten zeggenschap houden en wat kan of zal naar een hoger schaalniveau worden gedelegeerd of overgelaten aan de markt? Welke instituties moeten hoognodig worden vernieuwd in dit tijdperk van globalisering? Welke grenzen moeten worden getrokken ten behoud van sociaal, cultureel en economisch erfgoed? Welke offensieven moeten worden voorbereid om Nederland weerbaar te maken in de mondiale economie en tegelijkertijd de sociale samenhang in eigen land niet uit het oog te verliezen?
Het akkoord van Beetsterzwaag gaf geen systematische antwoorden op bovenstaande vragen. Wel riep de plek van handeling en de komst van een minister voor Wijken en één voor Jeugd en Gezin de vraag op of niet werd teruggegrepen op oude integratiekaders van dorp, wijk en gezin. Er leek sprake van zombiepolitiek: overleden politieke formules, die blijven voortleven in de politiek. Een begrip als individualisering was volgens de geestelijke vader van het akkoord, Herman Wijffels, bewust weggelaten uit de tekst (ook het begrip globalisering treffen we er niet in aan). Alsof je voor of tegen individualisering kunt zijn. Individualisering is méér dan het betekenisverlies van het traditionele gezin of het ontstaan van een individualistische moraal. Individualisering is het proces van het veranderen en verzwakken van traditionele instituties als integrerende – en identiteitsverlenende kaders. Het gevolg daarvan is dat burgers, meer dan voorheen, zelf invulling moeten geven aan hun eigen levenswijze. Individualisering is ook een proces dat nadrukkelijk zijn sporen nalaat in politiek. Armen en arbeiders stemmen nu rechts en de middenklasse stemt links. En politieke leiders moeten nu op de tast de verkiezingen in omdat er geen Ariadnes meer zijn die een stevige ideologische handreiking kunnen bieden in het complexe labyrint van de samenleving. Populistische politici doen daar tijdelijk hun voordeel mee.
Na 100 dagen van consultatie van het volk ligt er een meer doorwrocht beleidsverhaal. Wat heeft het opgeleverd? Ligt er nu een onderwijsplan dat Nederland international opstoot in de vaart der volkeren en er voor zorgt dat het beroepsonderwijs meer ambachtslieden voortbrengt die een hamer kunnen vasthouden en meer verplegers die een patiënt kunnen verzorgen? Worden er uitgewerkte voorstellen gedaan voor een arbeidsmarkt die flexibeler is, effectiever werkt en rechtvaardiger is voor jonge generaties? En die er tevens voor zorgt dat arbeid loont voor de groeiende groep van working poor in de Nederlandse samenleving? Wordt een migratiebeleid ontwikkeld dat Nederland een meer kosmopolitische uitstraling geeft waardoor Nederland enige kans maakt in ‘the battle of brains’ en wordt tegelijkertijd een handhaafbaar systeem geïntroduceerd voor de tijdelijke arbeidsmigratie? Worden er voorstellen gedaan voor een omvattende levensloopregeling die aansluit bij de flexibele samenleving en die oplossingen biedt voor de drievoudige belasting van sommige groepen burgers (die belast worden met werk, opvoeding van kinderen, zorg voor ouders)? Zien we de contouren van een sluitend stelsel van kwalitatief hoogwaardige voor-, tussen- en naschoolse kinderopvang ter bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen? Is er een integratiebeleid in de maak dat wil afrekenen met zwarte scholen en wijken? Is er perspectief op een zorgbeleid dat een antwoord heeft op de huidige en toekomstige knelpunten (in het bijzonder gekwalificeerd personeel) in de zorg als gevolg van de vergrijzing? Is er een duidelijke plaatsbepaling van de inzet van Nederland in de discussie over de Europese grondwet?
In het door het kabinet-Balkenende IV gepresenteerde beleidsplan staan dit soort ambities maar zeer ten dele. Als belangrijk winstpunt zie ik de extra inspanningen voor onderwijs (met name terugdringing van het lerarentekort), al is het jammer dat niet radicaal wordt afgerekend met het Nieuwe Leren. Ook de plannen van Justitie laten zien dat de Nederlandse democratische rechtsorde tegen een stootje kan. En natuurlijk is er ook serieuze aandacht voor het milieu. Maar voor het overige lijkt de honderddagentour niet zo veel nieuws te hebben opgeleverd. Opvallend is ook dat er weinig samenhang is tussen de pijlers van het kabinet. Bij de pijlers ‘internationale rol’ en ‘innovatie’ wordt gesproken over een open houding naar de rest van de wereld. Er wordt vastgesteld: „Wereldburgerschap of Europese identiteit komen niet in de plaats van onze identiteit, maar kunnen in een globaliserende wereld goed van pas komen”, terwijl men bij de pijler ‘sociale samenhang’ vooral dekking zoekt achter de Hollandse dijken en wijst op de betekenis van dorp en wijk. Het kabinet schrijft: „Het versterken van de sociale samenhang betekent investeren in mensen en de manier waarop mensen met hun leefomgeving omgaan. De kracht van wijken, buurten en dorpen moet beter worden benut.” Deze redenering is twijfelachtig. Het merendeel van de Nederlanders woont in de stad. En voor het merendeel van de burgers is de wijk louter de plek waar zij wonen. Zij zijn juist actief in verbanden die de grenzen van buurt, dorp, stad en land overschrijden. Wie de situatie in wijken wil verbeteren moet iets doen aan de leefbaarheid en de veiligheid, maar vooral ook aan een versterking van de maatschappelijke positie van bewoners. Dat biedt hen de meeste zekerheid en geborgenheid in de moderne, open samenleving. Ook het beleid van inburgering en integratie blijft defensief. Het huidige beleid dat, bijvoorbeeld, een dubbele nationaliteit wil tegengaan wordt nergens geproblematiseerd.
Ook binnen de pijlers doen zich tegenstellingen voor. Bij de pijler ‘sociale samenhang’ wordt enerzijds een pleidooi gevoerd voor een verdere arbeidsparticipatie van vrouwen, terwijl een adequaat beleid voor kwalitatief goede kinderopvang ontbreekt en uit deze groep ook nog eens 50.000 vrouwen extra dienen te worden gerekruteerd voor vrijwilligerswerk. Het kabinet doet daarnaast vooral zijn best een publieke moraal te formuleren dat mensen activeert, motiveert en samenbindt waardoor burgers bereid zijn risico’s en verantwoordelijkheid te nemen. Dat is prijzenswaardig, maar deze moraal zal pas wortel schieten wanneer tegelijkertijd serieus gewerkt wordt aan de modernisering van instituties. Die nieuwe publieke moraal is duidelijk zichtbaar in de planvorming voor gedragscodes in wijk, buurt, school en sportvereniging en in het inburgeringsbeleid. Migranten moeten niet alleen kennis hebben van de Nederlandse taal en kernwaarden, maar deze ook actief onderschrijven. Het is de vraag of deze opgelegde burgerschapsmoraal bindend zal werken en of het niet veel meer voor de hand ligt een meer minimalistische moraal te formuleren die uitgaat van het vermogen van migranten om economisch te participeren. Zo’n moraal rechtvaardigt een selectief toelatingsbeleid en veel aandacht voor kennis van de Nederlandse taal.
Het belangrijkste wat het kabinet lijkt te hebben ontdekt is de negatieve werking van de publieke sector. Den Haag heeft Den Haag aangetroffen, zowel in de grote stad als in de provincie. Kafka blijkt niet alleen te huizen in het departement, maar ook in de wijk, in het jeugdhonk en het bejaardencentrum. „De verzorgingsstaat is als een weeshuis”, schreef Kees Schuyt meer dan 25 jaar geleden, „er wordt voor je gezorgd, maar je krijgt geen aandacht.” Nu ontdekken politici dat er voor sommige groepen, waaronder kwetsbare kinderen en behoeftige ouderen, zelfs niet gezorgd wordt. Dat is een pijnlijke constatering gelet op de veelheid aan regels en instanties (publiek en privaat) die op deze terreinen werkzaam zijn. Het is een goede zaak dat men de dienstbaarheid in de publiek sector wil verbeteren. Toch moet men oppassen om de bureaucratie de schuld te geven, en te vervallen in gemakzuchtige verhandelingen over ‘ontkokering’, ‘integrale aanpak’ en ‘regie’. De bureaucratie is een van de belangrijkste sociale uitvindingen, namelijk een gelijke uitvoering van regels door deskundige functionarissen zonder willekeur. Ik vermoed dat het kabinet voor de uitvoering van zijn beleid zeker niet minder ambtenaren nodig heeft, wel betere regelgeving en gekwalificeerde, professionele mensen die vooral – weg van Den Haag en Zoetermeer – in de sfeer van de uitvoering ingezet moeten worden. Het is ook de vraag of de plannen van het kabinet ter verbetering van de publieke sector effectief zullen werken. Er wordt in alle plannen sterk de nadruk gelegd op multidisciplinaire samenwerking, integrale aanpak en technologische innovaties (elektronische dossiers van patiënten, kinderen en delinquenten). De kans is niet denkbeeldig dat dit tot meer in plaats van minder bureaucratie zal leiden.
De magere oogst van 100 dagen laat vooral zien dat Nederland een ideocratie dreigt te worden, een politiek stelsel waarin niet zozeer politieke ideologieën richtinggevend zijn, maar ideeën van burgers, of beter gezegd ideetjes van burgers. Wie het weet mag het zeggen. De politiek is een ideeënbus geworden. In het beleidsprogramma staan talloze van die ideetjes onder de rubriek ‘mijn idee’ vermeld. Het belangrijkste verwijt dat men het huidige kabinet moet maken is dat men niet de confrontatie met burgers is aangegaan, maar vooral een vrijblijvend gesprek. Dat is een nieuw aspect van het individualiseringsproces zoals zich dat in de politiek afspeelt. Hoewel de honderddagentocht vooral een communicatiestrategie was om draagvlak te krijgen voor te nemen maatregelen, is het illustratief voor de onzekerheid in de politiek om zelfstandig politieke antwoorden te formuleren. De politiek staat met zijn mond vol tanden en heeft geen grote antwoorden op de grote vraagstukken van vandaag. Het resultaat is ruim 70 doelen en tien projecten. Natuurlijk is men bevreesd om de kiezer bepaalde antwoorden te geven, zoals krachtige steun aan een nieuwe Europese grondwet, vermogende gepensioneerden laten meebetalen aan de AOW, het flexibiliseren van de arbeidsmarkt of het verhogen van belastingen. Waar de agogiek lang geleden is afgeschaft op de universiteiten keert zij nu terug in de politiek: „Wat vind je er zelf van?” Het kan zijn dat deze strategie tot enige bescheidenheid leidt bij verwende burgers, maar het omgekeerde is zeker denkbaar. Er worden verwachtingen gewekt die niet waargemaakt worden. Tegelijkertijd worden burgers onvoldoende geconfronteerd met burgerschapseisen die aan hen gesteld zullen worden in de 21ste eeuw en worden noodzakelijke vernieuwingen op de lange baan geschoven. De agogiek is om terechte redenen afgeschaft op de universiteiten. Dat moet ook gebeuren in de politiek. Het woord is niet langer aan de burger, maar aan de politiek.
Godfried Engbersen
hoogleraar algemene sociologie aan de Erasmus Universiteit
(
20 juni 2007)