Opinie
Weten versus zoeken: over politiek, ethiek en religie - door Femke Halsema
Religie neemt in de samenleving en in de politiek op dit moment een meer prominente plaats in dan de afgelopen decennia denkbaar was. Voor het eerst sinds heel lang hebben we een kabinet dat wordt gedomineerd door christelijke partijen. Geloof bevindt zich daardoor meer dan de voorgaande decennia in het hart van de politiek. De gelovige leider van de enige seculiere coalitiepartij, Wouter Bos, verklaarde het succes van de formatie zelfs met de zinsnede 'wij spreken alle drie de tale kanaäns'. In de wittebroodsweken van het kabinet overheerste de discussie over de gewetensbezwaren bij trouwambtenaren, waarbij de bewindslieden ook langs geloofslijnen verdeeld leken.
Terwijl christelijke politiek zich weer heeft genesteld in het centrum van de macht, is die andere grote groep gelovigen, de moslims, weliswaar meer zichtbaar maar ook aanhoudend voorwerp van beschimpingen, beledigingen en vernederingen. De aanhoudende schofferingen van Wilders van moslims en hun geloof worden door de meesten weliswaar beschouwd als extremistisch, maar kritiek in een gematigder variant heeft breed ingang gevonden. Er is een grote urgentie om het negatieve beeld van de Islam te corrigeren, aangezien bij voortgaande politieke polarisatie onze samenleving langs lijnen van religieuze tegenstellingen verdeeld dreigt te raken. Daarmee kan op termijn ook de vrije ruimte voor religieuze expressie in het geding raken. Of het nu gaat om imams die weigeren een hand te schudden, vrouwen die gelaatsbedekkende kleding of burkini's dragen of de staat van het islamitisch onderwijs; in toenemende mate klinkt de roep om religie te weren uit de publieke sfeer. Dit raakt in de eerste plaats de vrijheid van moslims maar sluit op termijn ook christenen en andersgelovigen niet uit.
In het brandpunt van conflicten over religie en politiek, staat in de meeste gevallen niet de religie zelf, maar de ethische aanspraken die worden gedaan op basis van het 'enige en ware geloof'. Politiek ongemak of zelfs aversie tegen religie wordt vooral aangewakkerd door incidenten variërend van trouwambtenaren en handenschudden of ethische dilemma's zoals euthanasie, abortus. Naar mijn opvatting ontstaat er vooral spanning tussen religie en politiek als de ethische opvattingen van gelovigen en kerken - onze oordelen over goed en fout in het menselijke verkeer – te absoluut, te stellig en te dogmatisch worden. Omgekeerd ontstaat er ook spanning als politici zich al te gemakkelijk wenden tot de kerken als zij oplossingen zoeken voor morele of maatschappelijke verloedering, zonder zich daarbij rekenschap te geven van de autonomie van het geloof.
Nu erken ik direct dat godsdiensten niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Bovendien zijn politici altijd gerechtigd om maatschappelijke problemen te agenderen. Of die problemen een religieuze oorsprong hebben of religieuze rechtvaardiging kennen, is dan niet relevant. Bij maatschappelijke problemen die een gevolg zijn van bijvoorbeeld Islamitische orthodoxie, zoals de achterstelling van vrouwen, is er zelfs een grote politieke verantwoordelijkheid om deze te agenderen. Wel gaat het er om het probleem van uitblijvende emancipatie zelf te agenderen en niet door te schieten in een leerstellig politiek conflict over de precieze omschrijvingen in de Koran, zoals nu al te vaak gebeurt. Dit neemt ook niet weg dat deze twee tegenstrijdige ontwikkelingen tezamen wijzen op groot politiek ongemak in de omgang met religie. Politici – seculier en gelovig – hebben grote moeite om de betekenis van religie voor de samenleving te duiden, laat staan als autonome kracht te respecteren.
De ongemakkelijke verhouding van politici met religie wordt ook – en naar mijn mening bovenal – veroorzaakt door het ethische conservatisme dat in religieuze bijdragen aan het politieke en publieke debat domineert. Nog maar enkele weken geleden haalde bisschop Eijk de publiciteit door zich misprijzend uit te laten over Hugo Claus. Hij vond diens zelfgekozen dood niet moedig. Vanuit Islamitische kring overheersen helaas vrijwel altijd de opvattingen van conservatieve imams over bijvoorbeeld homoseksualiteit, vrouwen en andersdenkenden.
Laat ik - voordat ik wil betogen hoe het politieke ongemak met religie zou kunnen worden verminderd – eerst opmerken dat wat mij betreft religie wel degelijk een plaats heeft in de politiek en in de publieke sfeer. Zoals politieke partijen hun wortels kunnen hebben in de idealen van gelijkheid, vrijheid en broederschap van de Franse revolutie, in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zo kunnen religieuze waarden als barmhartigheid en rentmeesterschap even inspirerend en leidend zijn. Ik behoor zeker niet tot degenen die vinden dat religie en levensbeschouwing zich zouden moeten beperken tot de privésfeer. Levensbeschouwing - in de brede betekenis van beschouwing over de waarde en het wezen van het leven - is van grote betekenis voor de (in)richting van onze samenleving. Of het nu gaat om christelijke, islamitische of humanistische levensbeschouwingen, alle stromingen hebben met elkaar gemeen dat zij ons individuele, dagelijkse handelen in een groter verband plaatsen. Zij hebben ook met elkaar gemeen dat zij de mens een grotere verantwoordelijkheid toekennen dan enkel de zorg voor zichzelf. Voor de inrichting van onze samenleving en de ontwikkeling van gemeenschappen is dat van groot belang.
Toch voel ik me ook dikwijls ongemakkelijk bij de verschijningsvorm van religie in de politiek. Veel minder heeft dat te maken met het geloof en het geloven zelf, als wel met het ethische conservatisme dat ik zo-even noemde. Beter is het trouwens om te spreken van ethische superioriteit. In de aanloop naar het nieuwe regeerakkoord verscheen bijvoorbeeld een paginagroot artikel in NRC-Handelsblad waarin de VU-filosoof Govert Buijs stelde dat de christelijke traditie de weg wijst naar een nieuw samenlevingsideaal. Eerder verdedigde de CDA-ideoloog Kees Klop al eens dat christelijk geïnspireerde politiek het enige alternatief is voor burgerlijk hedonisme. In een debat met Paul Kalma bij de ChristenUnie stelde de theoloog Paas dat alleen Christenen echt oog hebben voor het 'menselijk tekort'. En bij haar aantreden als staatssecretaris vatte ChristenUnie-politica Tineke Huizinga het ethische superioriteitsdenken bondig samen met de opmerking: 'Als ik geen christen was, zou mijn leven wel heel erg om mezelf draaien'.
Het kost overigens weinig moeite om vergelijkbare Islamitische uitspraken te vinden waarin het geloof op één lijn wordt gesteld met dè waarheid over het goede en het juiste leven. Denk bijvoorbeeld aan het recentelijke conflict tussen de Amsterdamse stadsdeelbestuurder Marcouch en Imam Fawwaz. Daarbij verweet de laatste ook een ieder die anders denkt over het geloof en dwingende opgelegde religieuze gebruiken zoals hoofddoekjes en handen schudden, een slechte en hypocriete moslim te zijn, of – erger – een ongelovige. Bij dergelijke opvattingen wordt het ethisch besef van andersdenkenden al snel minderwaardig. Ik zou dit 'het geloof van het weten' willen noemen.
Voor mij als politicus is 'het geloof van het weten' problematisch en ongemakkelijk makend. Juist omdat het zich ook met grote vanzelfsprekendheid beweegt op het terrein van de ethiek, en daarmee van de menselijke en politieke consensus. Het geloof van het weten staat daarmee haaks op een open democratisch debat. Een open democratisch debat bestaat namelijk bij de gratie van het vermogen je te verplaatsen in de argumenten van een ander. Je loopt als het ware een eindje met elkaar op, om dan te besluiten samen door te lopen of af te slaan. Bij ethische superioriteit die voortkomt uit het zogenaamde 'enige en ware geloof' is er geen enkele belangstelling meer om een eindje samen op te lopen, omdat dat slechts leidt tot verdwalen. Ethische superioriteit, het geloof van het weten, draagt ook de kiem van geloofs- of gewetensdwang in zich. Omdat eenvoudig niet voorstelbaar is of invoelbaar is dat mensen tot andere ethische afwegingen zouden kunnen komen, nemen ethische keuzes ook de vorm aan van een gebod of een verbod. Euthanasie is verboden, net als abortus. Homoseksualiteit mag niet, mannen mogen vrouwen geen hand geven.
Als seculier politica sta ik in een partijtraditie van mensen die zich juist vanuit hun geloofsovertuiging altijd hebben verzet tegen elke vorm van gewetens- of geloofsdwang. Als GroenLinks een religieuze traditie kent dan is dat wel die van 'het geloof van het zoeken'. Het geloof inspireert en begeleidt het dagelijkse handelen maar leidt niet tot eenvoudige recepten voor hoe te leven. Het leidt ook niet tot kant en klare politieke opvattingen over ingewikkelde ethische en maatschappelijke vragen. Eerder leidt het tot méér vragen, méér dilemma's, grotere reflectie.
Ik sta kritisch tegenover verlichtingsfundamentalisten die religieuze inspiratie en overtuigingen willen verbannen uit de politiek en het publieke leven. Zij passen net als de orthodoxe leidsmannen die zij verafschuwen gewetensdwang toe. Het betekent ook dat ik een mening nooit terzijde zal schuiven omdat zij religieus geïnspireerd is, of mij zal verzetten tegen subsidies voor organisaties op religieuze grondslag, zolang hun werk van algemeen maatschappelijk belang is. Ik erken ook dat geloof – verlicht of orthodox - een plaats heeft in, en waarde kan hebben voor de samenleving. Anderzijds doe ik wel een appèl op gelovigen om in het politieke en publieke debat het rotsvaste vertrouwen in de eigen ethische superioriteit te verminderen. Een appèl op de christenen en moslims die geen debat toestaan over de eigen ethische opvattingen. Al realiseer ik me heel goed dat juist vanwege ethische superioriteit, vanwege het geloof van het weten, een dergelijk appèl mogelijk aan dovemansoren is gericht.
Daarentegen zijn er overal in de samenleving gelovigen die geen enkel – religieus getoonzet – bezwaar hebben tegen al te mooie, levensgroot afgebeelde dames in gouden bikini's. Die om goede redenen voor euthanasie zijn, of abortus. Misschien zijn ze ook wel tegen maar dan roepen zij niet het geloof in ter rechtvaardiging van hun al te menselijke mening. Juist deze 'zoekende gelovigen' zouden een voortrekkersrol kunnen en moeten spelen in het politieke en publieke debat. Door er op te wijzen dat geloven prachtig is, maar dat het niet synoniem is aan kerkelijke dogma's die ons dagelijkse leven dicteren. Misschien ook wel dat geloven geen autoritaire macht verdraagt. Dat we het wel degelijk zelf en samen uit moeten zoeken als wij moeilijke ethische en politieke afwegingen maken. Dat religie een plaats heeft in de politiek als leidraad en inspiratiebron maar dat ethische superioriteit, 'het zekere weten het open democratische debat fnuikt. Daarmee kunnen zij dreigende tegenstellingen en het ongemak in de verhouding tussen religie en politiek helpen verminderen.
Femke Halsema
fractievoorzitter van GroenLinks in de Tweede Kamer
Dit artikel is een bewerking van de lezing van Halsema bij de uitreiking van de jaarlijkse Ab Harrewijn-prijs op 13 mei 2008
(10 juni 2008)