Opinie
Gun iedereen zijn eigen overtuiging - door Alexander Pechtold en Annelou van Egmond
God is niet dood, hij leeft! Hierover verschillen wij van mening met Nietzsche. God, maar ook Allah, ontleent zijn bestaansrecht aan het feit dat hij leeft in de gedachten van miljarden, voor wie hij richtinggevend en kaderstellend is. Het is belangrijk dit vast te stellen. Want naar ons idee gaat de discussie over de vrijheid van godsdienst te vaak over de vraag of God eigenlijk wel bestaat. Voor ons is God een realiteit, niet zozeer in ons eigen hoofd en hart, als wel in die van anderen. Wij accepteren en respecteren dat. De vraag is vervolgens in hoeverre het feit dat veel mensen geloven in een hogere macht van invloed is of zou moeten zijn op de inrichting van de samenleving.
De spanning tussen religie en het publieke domein blijkt uit de vele recente debatten over de mate waarin mensen in Nederland, en vooral relatieve nieuwkomers, 'openlijk religieus' mogen zijn. Mensen die streng religieus willen zijn beroepen zich op de vrijheid van godsdienst en mensen die daar paal en perk aan willen stellen schermen met de scheiding van staat en kerk. Het lijkt wel alsof die twee inzichten radicaal tegenover elkaar staan. Een oplossing komt intussen niet dichterbij.
De notie van een heldere scheiding tussen staat en kerk, en dus van de privatisering van het geloof, danken we aan John Locke, die in 1684 pleitte voor 'tolerantie'. Deze tolerantie is een kenmerk van de seculiere staat die zich uitsluitend bemoeit met burgerlijke, of uitwendige, zaken terwijl de innerlijke opvattingen van mensen buiten de invloedssfeer van de overheid vallen. Er zijn volgens Locke twee sferen die elkaar wederzijds uitsluiten: een van de politiek en een van de religie. Als er scheiding bestaat tussen kerk en staat, dan is godsdienst gevrijwaard van overheidsbemoeienis en is tegelijkertijd het publieke domein vrij van godsdienst; de staat associeert zich niet met de ene religie ten koste van een andere.
De scheiding tussen kerk en staat staat eigenlijk als zodanig niet meer ter discussie; ze geldt als bewijs van Verlichting of beschaving. Het begrip is heilig. Daarmee zijn we het op zichzelf eens. Alleen moeten we tot de conclusie komen dat de scheiding tussen kerk en staat alléén geen garantie biedt voor de vrijheid van godsdienst.
Ten eerste is de vrijheid van godsdienst, net als veel andere grondrechten, langzaamaan van inhoud veranderd. De vrijheid van godsdienst is in menige westerse Grondwet vastgelegd als een verticaal recht, een recht om bij godsdienstoefening en religieuze beleving gevrijwaard te blijven van staatsbemoeienis. Maar in plaats van zich te weren tegen de staat waren de Nederlandse kerken tot voor enkele tientallen jaren vooral bezig zich ten opzichte van elkaar te profileren. Met een beroep op de vrijheid van godsdienst claimden ze eigen territoria, ook in het publieke domein. Kwam er een rooms-katholieke school, dan ook een hervormde, en een gereformeerde. Elke zuil had z'n eigen voetbalclub, omroep, vakbond, woningbouwvereniging. De vrijheid van godsdienst werd van een verticaal, een horizontaal recht.
In de laatste decennia van de vorige eeuw veranderde deze ordening in rap tempo. Er ontstond een vrijere samenleving waarin burgers niet meer automatisch binnen hun eigen zuil studeerden, sportten, dansten en trouwden. Een samenleving ook met ruimte voor mensen om geheel zelf hun opvattingen te bepalen over seksualiteit, voortplanting, leven en dood. En juist op de valreep van dat proces van ontzuiling en secularisering meldde zich een nieuweling: de islam. Deze voor Nederland tot dan toe vreemde religieuze gemeenschap begon, met een beroep op de vrijheid van godsdienst, óók met eigen scholen, eigen voetbalverenigingen. Bovendien ventileerde ze tamelijk dwingende opvattingen over seksualiteit, voortplanting, leven en dood. Met de introductie van deze nieuwe, niet-christelijke geloofsovertuiging en cultuur is de aloude systematiek van een kerk en een staat die elkaar wederzijds met rust laten, opnieuw onder druk komen te staan. Moesten we in de zestiende eeuw al afscheid nemen van het idee van één rooms-katholieke kerk, in de eeuwen daarna groeide de kerkverzameling in Nederland alleen maar harder. Soms door interne meningsverschillen, soms door nieuwe religieuze groepen van buiten - bijvoorbeeld de Joodse immigranten in de zeventiende, en de hugenoten in de achttiende eeuw. Nu is er een voor ons onbekende God bijgekomen. En ook Allah kent kostgangers in vele varianten, van los tot streng, van geseculariseerd tot afvallig.
Zeer in het oog springend, althans voor de vrijzinnig-democraat, is het verschil tussen het orthodoxe christendom en de orthodoxe islam als het gaat om de verhouding tot de wereldlijke macht. Strenge christenen zijn veelal nette burgers die, weliswaar op ons inziens verkeerde gronden, het gezag van de staat toch accepteren. Sommige orthodoxe moslims daarentegen erkennen alleen de autoriteit van de eigen religieuze voorman, met voorbijgaan aan de staat en zeker aan de westerse rechtsstaat. Dit is al een aantal malen uitgemond in eigenrichting. En dat is volstrekt onacceptabel. Het verticale recht op vrijheid van godsdienst, waarbij de overheid zich onthoudt van interventies in het religieuze domein, heeft namelijk als consequentie dat gelovigen zich buiten hun kerken voegen naar het wereldlijk gezag. Wie zich associeert met een geloof dat die toezegging niet wil of kan doen brengt zijn eigen duur bevochten vrijheid in gevaar.
Noodzakelijke voorwaarde voor de afspraak om staat en kerk gescheiden te houden is de 'privatisering' van het geloof. Simpel gezegd: mensen hebben in hun eigen huis en in hun eigen kerk de vrijheid om zich aan alle consignes van hun geloof te houden. Dat is hun 'eigen zaak'. In het openbaar gelden daarentegen de reguliere wetten en de algemeen geldende fatsoensnormen. Dit is altijd een wat gekunstelde afspraak geweest; ook van belijdende christenen kun je niet verwachten dat ze bij het passeren van de eigen voordeur ineens hun overtuigingen uitschakelen. Voor veel aanhangers van niet-westerse religies blijkt de scheiding tussen publiek en privé echter onvoorstelbaar. Voor hen is privatisering van het geloof een vreemde gedachtenkronkel: hoe kun je nu thuis moslim zijn en op straat niet? Het gevolg is dat het geloof daardoor ineens weer veel aanweziger is in het publieke domein - zeker als gelovigen ook nog eens aandringen op aanpassingen zodat ze hun religie in het openbaar kunnen uiten. Dat kan gaan van tamelijk onschuldige pijltjes richting Mekka op het plafond van een hotelkamer, via gebedsruimten op scholen en universiteiten tot protesten tegen homoseksuele docenten en tegen mannelijke artsen in de verloskamers. Ongemerkt zijn we dan een grens overgegaan. En dan klinkt de roep om nieuwe regels.
Het is uitgesloten dat we onze rechtsstaat opofferen aan de vrijheid van godsdienst. Maar het omgekeerde mag ook niet gebeuren. Dat vraagt inspanning van beide kanten: van mensen die een geloof belijden en van mensen die dat niet (meer) doen. In Nederland is ruimte voor eindeloos veel geloven en levensopvattingen. Die mogen allemaal rekenen op respect van overheid en burgers, althans zolang ze zich houden aan de Nederlandse wetten - de Grondwet voorop. Dit is niet onderhandelbaar. Eigenrichting, binnen de eigen kring maar ook daarbuiten, is onaanvaardbaar, net als aanzetten tot geweld. Ook is een beetje eelt op de ziel onontbeerlijk voor het vreedzaam samenleven van allerhande religies en niet-religies. In Nederland mag iedereen meepraten en, ook weer binnen de grenzen van de wet, zeggen wat hij vindt. Op straat, in de krant, op de televisie, in de tram. Slimme opmerkingen wisselen ondoordachte suggesties af, oplossingen worden verworpen op basis van zinnige, maar ook onzinnige argumenten. Deze kakofonie noemen we het publieke debat. En als het goed is, komt daar nooit een eind aan. Het is de zuurstof van de democratie. Wat overigens niet betekent dat we elkaar de hele dag moeten beledigen.
Dat brengt ons bij de inspanningen die gevraagd mogen worden van mensen die zich niet laten inspireren door een geloof, of niet in die mate dat ze het als richtlijn voor al hun handelen zien. Onder die mensen rekenen wij onszelf. Het is veel te gemakkelijk om je schouders op te halen over 'godsdienstfanaten' in de hoop dat ook deze mensen uiteindelijk zullen inzien dat er niets is tussen hemel en aarde en dat het gewoon een kwestie van tijd is tot Nederland geheel seculier is geworden. Wat we wel moeten doen is zelfverzekerd openstaan voor debat. Met goede argumenten en in coalitie met anderen moeten we onze suggesties voor de inrichting van de samenleving naar voren brengen. Heel belangrijk daarbij is het garanderen van de rechten van minderheden. Democratie is niet eenvoudigweg 'meeste stemmen gelden', waarbij de meerderheid vervolgens haar wil kan doordrukken. In onze democratie wordt de meerderheid gevormd door steeds wisselende coalities van minderheden. Dat heeft een behoorlijke rechtsstaat opgeleverd waarin iedereen op gezette tijden, als onderdeel van een minderheid, ruimte krijgt voor het volgen van het eigen geweten. Dat moet zo blijven. Het recht van de een moet geen dwang worden voor de ander. De publieke ruimte delen we met z'n allen. Het is naar z'n aard een neutrale zone, maar dat betekent niet dat we daar allemaal geheel blanco moeten rondlopen. Over die marges moeten we met elkaar in gesprek blijven. Helaas betekent dat de komende tijd dat we getuige zullen zijn van puberaal gedrag van geloofsfanatici en van de allergische reacties daarop van nationalistische seculieren, onder het vergrootglas van de media.
Wij geloven niet in God, maar wel in vrijheid, gelijkheid en broederschap. Als je gelooft in vrijheid dan houdt dat ook in de vrijheid van iemand om te geloven - zelfs of misschien wel juist, in iets dat jezelf niet gelooft. Dit laat onverlet dat wij stevige kritiek hebben op religies die hun volgelingen in hun vrijheid beperken, en dat zijn er vele. Dat geldt ook voor godsdiensten die uitgaan van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen of tussen heteroseksuelen en homoseksuelen. Ons geloof in broederschap betekent dat we waar mogelijk op zoek zijn naar wat ons als mensen verbindt. Ander gedrag en een ander uiterlijk accepteren wij, zolang ze niet in strijd zijn met de wet. Wij willen zelf niet zwemmen in een boerkini, maar we willen ook niet urenlang discussiëren over een verbod op wat toch werkelijk een randverschijnsel is. Wij pleiten voor wederzijdse tolerantie: tussen staat en kerken, tussen de meerderheid en de minderheden van het moment en tussen alle minderheden onderling. Gun ieder zijn eigen overtuiging, sta faseverschillen toe en bied mensen de mogelijkheid om te studeren, te werken en te leven in vrijheid. Wij moeten de scheiding tussen kerk en staat duidelijk, maar niet krampachtig handhaven. En het allerbelangrijkste is dat wij vertrouwen moeten hebben in de rechtsstaat en in onze democratie.
Alexander Pechtold en Annelou van Egmond
resp. fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer en redacteur van Idee
Dit artikel is een licht bewerkte versie van het artikel dat is verschenen in Trouw d.d. 20 september 2008.
(10 oktober 2008)