Opinie
Rawls over politieke rechtvaardigheid - door Bert van den Brink
Het standaardwerk van John Rawls is nog altijd A Theory of Justice uit 1972. In dit magistrale werk stelt Rawls zich ten doel een sociale rechtvaardigheidstheorie te formuleren die universeel en eeuwig waar is. Deze universele rechtvaardigheidsgedachte komt erop neer dat alle primaire sociale goederen (vrijheid en kansen, inkomen en vermogen, en de voorwaarden van een gevoel van eigenwaarde) gelijk dienen te worden verdeeld tenzij een ongelijke verdeling van een of al deze goederen de minst bevoordeelde in de samenleving tot voordeel strekt. In zijn beroemde werk legt Rawls ons uit hoe een dergelijk perspectief uitwerkt op ons denken over de principes van sociale rechtvaardigheid die ten grondslag zouden moeten liggen aan de voornaamste politieke, economische en sociale instituties binnen een constitutionele staat. Deze universele rechtvaardigheidsgedachte van Rawls heeft veel kritiek te verduren gekregen.
Zijn latere werk is steeds meer politiek van aard. Rawls besteedde in de jaren tachtig en negentig veel aandacht aan wat hij 'politiek liberalisme' noemde: een politieke theorie van rechtvaardigheid, die onderkent dat iedere inhoudelijke visie op rechtvaardigheid omstreden zal zijn, en inzet van politieke strijd. Het gezichtspunt van pluriformiteit ontbrak volledig in Rawls' vroege werk. Dat resulteerde in de vreemde situatie dat hij een rechtvaardigheidstheorie presenteerde die vanwege haar eeuwigheidswaarde alle politieke meningsverschillen zou overstijgen. Die situatie is vreemd omdat debatten over sociale en politieke rechtvaardigheid bij uitstek inzet zijn van politieke strijd. Een filosoof die een theorie met eeuwigheidswaarde denkt op te stellen, wil dat fundamentele debat ontstijgen. Dat maakt een dergelijke theorie in politiek opzicht wereldvreemd. Politiek wordt niet bedreven door perfect rationele morele actoren; het wordt bedreven door gepassioneerde mensen die partijdige posities innemen en daarbij dikwijls elkaar visie op rechtvaardigheid onder vuur nemen.
Rawls stelde onder invloed van het groeiende levensbeschouwelijke en culturele pluralisme in de laatste decennia van de twintigste eeuw tot het inzicht te zijn gekomen dat zijn vroegere theorie misleidend was geformuleerd. Hij betreurde vooral dat hij had gesuggereerd dat alle mensen, ongeacht hun specifieke verschillen, op precies dezelfde wijze worden geacht moreel en politiek te argumenteren over rechtvaardigheid. In een pluralistische samenleving is dat niet het geval, onderkende hij. Daar kunnen redelijke burgers zich vaak vinden op enkele oncontroversiële uitgangspunten van rechtvaardigheid; zoals gelijke vrijheden, rechten en kansen; de noodzaak van verdelende rechtvaardigheid; de behoefte aan zelfrespect voor eenieder. Maar los van die uitgangspunten verschillen burgers vaak juist heel sterk met elkaar van mening over wat een rechtvaardige handeling of een rechtvaardig beleid zou zijn. Dat komt omdat hun levensbeschouwelijke en politieke motivatie om rechtvaardige wetten te accepteren heel verschillend kunnen zijn. Socialisten, sociaal-liberalen, christendemocraten en marktliberalen denken nu eenmaal anders over de genoemde uitgangspunten van rechtvaardigheid. Vanuit een moreel gezichtspunt kunnen dergelijke burgers inzien dat genoemde uitgangspunten voor iedere burger, ongeacht levensovertuiging en politieke voorkeur, aanvaardbaar dienen te zijn. Maar vanuit politiek gezichtspunt kunnen ze sterk van mening verschillen over wat ze in de praktijk betekenen. Vrijheid voor de liberaal is nu eenmaal iets anders dan vrijheid voor de socialist. En het is in de praktijk een machtsvraag, niet een abstracte morele vraag, wiens visie op een rechtvaardig beleid door democratische wetgeving aan het volk wordt opgelegd.
echtvaardigheid is met andere woorden een door en door politieke waarde, altijd potentieel omstreden in uitgangspunten en praktische toepassing. Het fenomenale oeuvre van John Rawls laat zich lezen als een ontdekking van dit oude inzicht. In A Theory of Justice ontwikkelde Rawls nog het gezichtspunt dat alle burgers onder één rechtvaardigheidsregime te verenigen zijn. Later in 1997 stelt Rawls in The Idea of Public Reason Revisited dat in een goed geordende liberaal-democratische samenleving mensen met elkaar van mening kunnen verschillen over de vraag welke precieze uitgangspunten en principes van rechtvaardigheid ze accepteren. Rawls is dan inmiddels tot het inzicht gekomen dat niet een inhoudelijke consensus over morele en politieke grondwaarden doorslaggevend is in een liberale samenleving, maar eerder de publieke redelijkheid waarmee burgers met heel verschillende rechtvaardigheidsopvattingen trachten samen een samenleving in te richten. Conflicten in een pluralistische samenleving hoeven mensen niet per se te verdelen. Als de wil te komen tot sociale coöperatie tussen redelijke burgers voorop staat, is het ontbreken van een sterke consensus over grondwaarden - om nog maar te zwijgen van een Leitkultur - onproblematisch. Pluralisme en politiek conflict tussen redelijke burgers kan verbindend werken. De wil tot publieke redelijkheid - tot articulatie van eigen publieke gezichtspunten vanuit de wil die waar nodig te laten corrigeren door anderen - is de voornaamste deugd van burgers van een liberaal-democratische samenleving. Dat inzicht heeft in Rawls' late werk de overhand.
Deze notie van publieke redelijkheid is zeer actueel. Bij alle publieke retoriek over gedeelde normen en waarden, de Joods-christelijke fundamenten van onze rechtsstaat, of de noodzaak van een 'moreel Esperanto' - zoals vertolkt door Paul Cliteur - dat juist alle levensbeschouwelijke elementen uit het politieke redeneren bant, is Rawls' late denken een verfrissing. Volgens Rawls is het antwoord op maatschappelijk pluralisme niet dat we uiteindelijke allen dezelfde waarden moeten aanhangen, of dat we onze verschillen van mening in de private sfeer moeten verstoppen. Zijn antwoord is dat we een weg moeten vinden om verschillen te behouden en op redelijke wijze die verschillen in ons voordeel moeten ombuigen. De late Rawls is Rawls op zijn liberaalst. Hij zou in het huidige Nederland al snel gelden als een naïeve multiculturalist. Of het etiket van 'cultuur relativist' - het nieuwe scheldwoord - zou op hem geplakt worden omdat hij erkent dat zelfs onze vertrouwde politiek waarden omstreden kunnen zijn.
Het is een betreurenswaardige zaak dat een flink deel van liberaal Nederland de laatste jaren is opgehouden liberaal te zijn. De reden van die ontliberalisering is de angst te worden overlopen door niet-liberale waarden en praktijken. Maar het liberalisme was nooit bedoeld als een politieke theorie voor een samenleving van gelijkgezinden. Sinds de godsdienstoorlogen in de zestiende en zeventiende eeuw is het een theorie geweest waarmee grote politieke en levensbeschouwelijke conflicten niet zozeer worden overwonnen, als wel hanteerbaar gemaakt. In een liberale samenleving bevechten burgers elkaar met geciviliseerde middelen om hun meningsverschillen hanteerbaar te maken. Die burgers kunnen uiteindelijk met elkaar opschieten voor zover ze dergelijke gevechten op redelijke - en dat betekent: op zelfkritische - wijze met elkaar aangaan. Dat biedt dan misschien geen politieke panacee om welvaartsverdeling theoretisch te onderbouwen zoals Rawls' vroege theorie over sociale rechtvaardigheid. Maar het biedt wel een inzicht hoe we met sociale, economische en culturele verschillen in een moderne samenleving zouden moeten omgaan; niet wegstoppen of ontkennen maar met opgeheven hoofd het debat voeren om iets van elkaar te leren.
Bert van den Brink
universitair hoofddocent politieke en sociale filosofie aan de Universiteit van Utrecht
Dit artikel is een geredigeerde versie van het artikel van Van den Brink in Idee, jaargang 29, nummer 2.
(9 juni 2008)