Opinie
Tijd voor partijvernieuwing - door Menno van der Land
Recentelijk bleek uit de internetenquête 21minuten dat meer dan de helft van de Nederlanders zich niet gerepresenteerd voelt door de bestaande politieke partijen. Het vertrouwen in de Tweede Kamer en het kabinet is laag en de overgrote meerderheid van de Nederlanders wil meer bij de besluitvorming worden betrokken, bijvoorbeeld door middel van referenda. Ook is de meerderheid van de Nederlanders voorstander van het rechtstreeks verkiezen van de minister-president en de burgemeester. De uitkomst van 21minuten laat zien hoe tekort aan vertrouwen in politiek zich vertaalt in behoefte meer directe invloed. Nou is het lage vertrouwen in de politiek en de behoefte aan meer directe democratie niet nieuw. Politicoloog Joop van Holsteyn wees er vorige week in NRC Handelsblad terecht op dat uit kiezersonderzoek blijkt dat Nederlanders over deze onderwerpen al veertig jaar een opvallend consistente mening hebben.
Maar de resultaten van 21minuten laten ook zien dat de massale onvrede over het politieke systeem en de politieke cultuur, die tijdens de revolte van Pim Fortuyn in 2002 in alle hevigheid zichtbaar werd, nog altijd niet voorbij is. Fortuyn zette in 2002 een vroegtijdig beëindigde aanval op de gevestigde partijen in door in te spelen op de sluimerende gevoelens van onvrede onder het electoraat. Hij wist kiezers te mobiliseren op thema’s als veiligheid en integratie, maar ook op het functioneren van de overheid en de democratie. Met die agenda haalde Fortuyn een fors aantal kiezers weg bij de bestaande politieke partijen. In één klap 26 zetels was een schok voor het altijd zo rustige politieke bestel.
Vijf jaar later zijn de gevestigde politieke partijen de boodschap die de kiezers in 2002 massaal afgaven, alweer vergeten. Politiek-Den Haag is overgegaan tot de orde van de dag: er zit een ‘gewoon’ kabinet, de politieke verhoudingen zijn niet wezenlijk zijn veranderd, in de zin dat dezelfde politieke partijen nog steeds het ‘spel’ domineren, business as usual. Maar de onvrede is er niet minder op geworden, integendeel. De burger voelt zich gedegradeerd tot toeschouwer, die ‘Den Haag’ van een afstand bekijkt met een mengeling van wantrouwen, cynisme en onverschilligheid. Dat gebrek aan vertrouwen in de gevestigde politieke partijen wordt ook zichtbaar in de grote verschuivingen in de partijvoorkeuren van kiezers. We doen er verstandig aan om ons niet blind te staren op opiniepeilingen, maar toch: twee weken geleden peilde Maurice de Hond de PVV van Geert Wilders op 24 zetels, groter dan de VVD en groter dan de PvdA. Deze week zou Rita Verdonk met haar nieuwe beweging goed zijn voor 29 zetels.
De grote verschuivingen in de peilingen èn in de verkiezingsuitslagen weerspiegelen de zoektocht van de kiezers naar politiek onderdak. De snelheid waarmee nieuwe frontrunners aan populariteit winnen, zegt iets over de behoefte die bij het electoraat bestaat aan nieuwe, aansprekende politici wiens verhaal aansluit bij de belevingswereld en ideeën bij de kiezers. Ook wordt duidelijk dat de kiezer zich definitief heeft losgemaakt van oude loyaliteiten. Het is opmerkelijk hoe makkelijk kiezers anno 2007 van partij wisselen: veel vaker dan vroeger en, zo laat het zich aanzien, ook om andere redenen: zodra er een aansprekend figuur op staat die zich met duidelijke, uitgesproken standpunten onderscheid van de mainstream politici in Den Haag, dan mag deze zich een aanzienlijke populariteit verheugen.
Die bewegingen vinden momenteel vooral plaats op de flanken van het politieke spectrum. Deze trend was ook zichtbaar in de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen op 22 november 2006. Deze verkiezingen lieten een verschuiving zien richting de extremen, richting de meer uitgesproken partijen en standpunten: de gematigde VVD verloor, de radicale Wilders won. De gematigde PvdA verloor, de extremere SP won. Het gematigde CDA verloor (zij het licht) en de extremere ChristenUnie won. Was het in de jaren negentig nog in de mode om op te schuiven naar het ‘veilige’ politieke midden, de kiezer kiest anno 2007 voor uitgesproken standpunten. De middelpuntvliedende krachten voeren de boventoon.
De grote vraag is natuurlijk: hoe komt het toch dat het altijd zo rustige Nederlandse partijbestel nu zo in beweging is? De Nederlandse politiek werd immers altijd gekenmerkt door een grote mate van continuïteit. Af en toe ontstond er een nieuwe politieke partij, soms had die nieuwe partij kortstondig enig succes, maar vrijwel altijd verdween ze ook weer. Alleen D66 wist zich als nieuwkomer een blijvende plek in het partijbestel te verwerven en de afgelopen jaren is de SP met een gestage opmars bezig. Voor het overige was continuïteit altijd het devies. Vaak wordt de oorzaak gelegd bij de kiezers: die zouden ‘op drift zijn geraakt’. Maar zeggen de recente ontwikkelingen in politieke Nederland niet veel meer over ons partijbestel? Naar mijn mening wel.
Het probleem is dat de grenzen tussen de bestaande politieke partijen al lang niet meer aansluiten op de opvattingen die leven onder de kiezers. In de afgelopen veertig jaar is de Nederlandse samenleving ingrijpend veranderd, in demografisch, economisch, sociaal en cultureel opzicht. Maar de Nederlandse politiek wordt al decennia lang gedomineerd door dezelfde politieke partijen. De dominante stromingen in de Nederlandse politiek (christen-democratie, liberalisme en sociaal-democratie) worden door dezelfde gevestigde partijen vertegenwoordigd als veertig jaar geleden. CDA, VVD en PvdA beleven weliswaar allemaal op hun tijd hun eigen crisis en veranderende kiezersvoorkeuren vertalen zich in stijgende en dalende zetelaantallen, maar de positie van de drie genoemde partijen is (behalve in 2002) nooit echt in gevaar geweest.
Geen probleem, zou je zeggen. De genoemde partijen beweren immers ‘brede volkspartijen’ te zijn die een brede groep kiezers aanspreekt. Nou kan je je afvragen of de term ‘volkspartij’ niet een beetje pretentieus is als slechts 2% van de Nederlanders lid is van een politieke partij. Maar los daarvan, de bestaande politieke partijen zijn allesbehalve een eenheid. Ze bedienen in werkelijkheid verschillende groepen kiezers die, bij gebrek aan een reëel alternatief, noodgedwongen hun heil zoeken bij één van de bestaande partijen. Totdat zich een alternatief aanbiedt, zoals Fortuyn in 2002 en zoals nu Wilders en Verdonk aan de rechterkant van het politieke spectrum.
Het is mede doordat vraag en aanbod niet goed op elkaar aansluiten, dat de loyaliteit van kiezers tot een zorgwekkend niveau is gedaald. Volgens politicoloog Rudy Andeweg is het fenomeen politieke partij zelfs het meest gewantrouwde onderdeel ons politieke systeem. De verkiezingsuitslag zegt dan ook weinig over de echte steun voor partijen. Die uitslag wordt nog slechts bepaald door de mate van onvrede over het gevoerde kabinetsbeleid. Verkiezingen zijn niet meer dan het inwisselen van de coalitie van partijen die op dat moment aan de macht is door een andere die vervolgens door ‘vuile handen’ te maken ook weer haar steun verliest enzovoort. De zetelverdeling tussen de partijen, zowel die in de huidige Tweede Kamer als de virtuele verdeling in de peilingen, weerspiegelen slechts in beperkte mate de steun die partijen hebben van het electoraat.
Het is dus niet verwonderlijk dat diezelfde kiezers naar nieuwe manieren zoeken om de door hen gewenste invloed alsnog te verkrijgen. De gevestigde politieke partijen zullen de opkomst van nieuwe partijen en bewegingen als een bedreiging zien. Geert Wilders, die na zijn breuk met de VVD veel steun verworven als de vertolker van het rechts-populistische onbehagen waar ook Fortuyn aan appelleerde, baart de VVD terecht zorgen. En bij de PvdA zal ook niet iedereen rustig slapen, nu de SP zich in toenemende mate gesteund weet als dé vertolker van het sociaal-democratische gedachtegoed. Het partijbestel kraakt in zijn voegen – misschien nog wel meer dan het veertig jaar geleden deed, toen D66 het partijbestel wilde laten ‘ontploffen’.
Maar de bewegingen die momenteel plaats vinden bieden vooral ook een kans. Een kans om het politieke krachtenveld aan te passen aan het veranderde electoraat. Ik acht de tijd rijp voor een herschikking van het partijbestel, zodat de kiezers bij de volgende verkiezingen weer een heldere keuze kunnen maken uit politieke partijen die een weerspiegeling zijn van wat in samenleving leeft. Daarvoor is het nodig om de bestaande scheidslijnen tussen de politieke partijen te doorbreken. Partijstelsels zijn geen statisch gegeven, maar evolueren door de tijd heen, passen zich aan gewijzigde omstandigheden, zoals kiezersvoorkeuren, nieuwe partijen dienen zich aan en anderen verdwijnen. Ik ben ervan overtuigd dat als we ons partijbestel zo vernieuwen dat de aansluiting bij de samenleving wordt hersteld, dat de kiezers zullen merken dat ze weer een duidelijke keuze kunnen maken, dat die keuze ook leidt tot een betere vertaling van hun eigen standpunten in het politieke debat en dat het vertrouwen in de politieke instituties zal stijgen.
Daarbij komt wel een klein probleempje kijken, want zoals Machiavelli ooit zei: ‘niets is zo moeilijk te realiseren als vernieuwing, want velen hebben hun belangen aan het bestaande verbonden’ en zo is het ook in de Nederlandse politiek. De gevestigde partijen verdedigen hun belangen en beschermen hun posities. Prominente politici zullen niet snel hun veilige nest verlaten voor een onduidelijk avontuur en een onzekere toekomst. De verandering zal dus van buitenaf moeten komen. Daarom is het goed dat nieuwe politieke partijen en bewegingen zich aandienen. We moeten zoeken naar nieuwe samenwerkingsverbanden waarmee we de kiezers een nieuwe keuze kunnen bieden.
Het (rechtse) populisme van Wilders of Verdonk is daarbij niet mijn keuze. Ik zie in de huidige ontwikkelingen juist een historische kans voor het verscheurde politieke midden. Ik acht de tijd rijp voor het bijeen brengen van de sociaal-liberalen van D66, de links-liberalen die het in de VVD steeds moeilijker hebben, de vrijzinnigen binnen GroenLinks die zich in hun partij aan de zijlijn voelen staan en de sociaal-individualisten binnen de PvdA die gruwen van de collectivistische koers die hun partij vaart. Het is tijd om het vrijzinnig-democratisch gedachtegoed waar zij, en een grote groep kiezers die nu geen lid is van een politieke partij, zich toe aangetrokken voelen, een brede basis te geven in een nieuwe politieke beweging. Op die manier kunnen we mensen bijeen te brengen die nu van elkaar gescheiden zijn, niet op grond van bestaande belangen of loyaliteiten, maar op grond van een gedeelde visie op de samenleving. En laat iedereen dan maar een nieuwe keuze maken: voor een rechts-populistische beweging onder leiding van Rita Verdonk, voor een echt links geluid in de vorm van de SP of voor de gulden middenweg die de vrijzinnig-democratische beweging heet.
Menno van der Land
politicoloog
(
20 oktober 2007)