ZINNIG-DEMOCRATISCH FORUM
podium voor vrijzinnig-democratische politiek


Opinie

Wees terughoudend bij het juridisch begrenzen van de vrijheid van meningsuiting - door Menno van der Land

Iedereen kent inmiddels de voorbeelden: de vervolging van Geert Wilders naar aanleiding van uitspraken over de islam en de koran, de zelfcensuur waartoe columnisten en cabaretiers zich gedwongen voelen, de arrestatie vorig jaar van cartoonist Gregorius Nekschot. In het gespannen klimaat in Nederland staat de vrijheid van meningsuiting onder druk.

Voor VVD-leider Mark Rutte is dit aanleiding om een initiatiefwet voor te bereiden om de vrijheid van menigsuiting beter te garanderen. Voor Rutte ligt de grens van de vrijheid van meningsuiting bij het aanzetten tot geweld of discriminatie. Godslastering zou toegestaan moeten worden. En desgevraagd voegde hij daaraan toe dat ook het ontkennen van de holocaust niet langer strafbaar zou moeten zijn. En dat laatste kan je in Nederland beter niet hardop zeggen...

Het siert Rutte dat hij het publieke debat over zo'n fundamentele kwestie aangaat. Maar in plaats van lof ontvangt de toch al geplaagde VVD-leider vooral veel kritiek op zijn standpunt, ook vanuit zijn eigen partij, die de afgelopen jaren consequent opkwam voor de vrijheid van meningsuiting, maar blijkbaar in een kramp schiet als het woord 'holocaust' valt.

Het debat over de vrijheid van meningsuiting draait vooral om de vraag waar de grenzen van deze vrijheid liggen. Voordat men die grenzen eventueel kan bepalen, moeten echter eerst twee andere vragen worden beantwoord. Ten eerste: is het wel mogelijk om grenzen te stellen aan de vrijheid van meningsuiting? En ten tweede: is dit wel wenselijk?

Grenzen aan de vrijheid van meningsuiting?

Om met de eerste vraag te beginnen: het is volgens mij praktisch onmogelijk om vast te stellen waar deze grenzen gelegd moeten worden. Het criterium of een mening geuit mag worden, kan niet zijn of deze waar of niet waar is. In een ver verleden werd je uitgelachen als je zei dat de aarde rond was. De gangbare opvatting was immers dat de aarde plat was; dat was 'waar' en de stelling dat de aarde rond was, was 'niet waar'. Je werd misschien niet langer serieus genomen, maar je mocht het wel zeggen. Niet veel later bleek de aarde inderdaad rond te zijn en werd wat eerst 'niet waar' was, wel 'waar'. Je kunt een mening ook niet verbieden louter omdat je het er niet mee eens bent. Als ik van mening ben dat Balkenende heeft gelogen over de Irak-oorlog, dan weet ik tenminste één persoon die het daar niet mee eens zal zijn. Maar in een open samenleving mág je van mening verschillen. Sterker: we danken onze moderniteit voor een belangrijk deel aan het 'met elkaar oneens zijn'. Want juist uit het botsen van verschillende overtuigingen komt vooruitgang voort.

Moet de grens dan liggen bij uitlatingen waar anderen aanstoot aan kunnen nemen? Dat lijkt me geen objectief criterium: mensen kunnen heel goed aanstoot nemen aan een overtuigend en verifieerbaar juist betoog. Moeten we de grenzen van het publieke debat dan laten bepalen door degene die zich aangevallen voelt? Door degene die geen weerwoord heeft? In een pluriform land als Nederland kom je bovendien al snel in de problemen als je het uiten van een mening wilt verbieden omdat iemand anders zich daardoor aangevallen, gekwetst of miskend voelt. Dit zijn subjectieve criteria, vaak gebaseerd op persoonlijke gevoelens. Dat maakt ze niet minder waar en ik wil ook niet suggereren dat we deze gevoelens niet moeten erkennen. Waar mogelijk vind ik dat we er rekening mee moeten houden. Maar dat is wat anders dan (wettelijke) grenzen stellen.

Hetzelfde geldt voor het begrenzen van de vrijheid van meningsuiting waar het om religie gaat. Sommige Christenen vinden vrijheid van meningsuiting prima, behalve als het over God gaat. Als ik beweer dat God niet bestaat, dan heet vrijheid van meningsuiting ineens godslastering en dan mag het niet. Moslims vinden dat als je Allah een terrorist noemt. Of de Koran fascistisch. Joden kunnen leven met de vrijheid van meningsuiting, zolang het niet over de holocaust gaat. Dan is vrijheid van meningsuiting ineens kwetsend en (zelfs voor veel niet-Joden) not done. Maar ook de constatering dat iets not done is, is geen reden voor een wettelijke begrenzing. Juist in een publiek debat, door het openlijk uitwisselen van meningen en argumenten, kan een samenleving zich een oordeel vormen over wat wel en niet gewenst is, wat not done is en wat wel.

Waarom zou je wel je vrije mening mogen uiten als het gaat om iemands uiterlijk of gedrag en niet over iemands geloofsovertuiging? Het pleidooi om (al dan niet verwijzend naar de vrijheid van godsdienst) voor religie een uitzondering te maken komt voort uit de intolerantie van degenen die religieus zijn, terwijl juist gelovigen verdraagzaamheid zouden moeten tonen. Juist wie hecht aan de vrijheid van godsdienst, de vrijheid om te geloven en te belijden waar men oprecht in gelooft, zou zich tolerant moeten tonen jegens andersdenkenden. Met andere woorden: de vrijheid van godsdienst dient evenzeer te gelden voor niet-religieuze overtuigingen.

Je kan de vrijheid van meningsuiting nou eenmaal niet selectief toepassen. In ieder geval niet zonder de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat geweld aan te doen. De vrijheid van meningsuiting is universeel of ze is niet. Geert Wilders eist voor zichzelf volledige vrijheid van meningsuiting op, maar wil uitlatingen van moslims aan banden leggen zodra ze hem niet aanstaan. Daarmee matigt Wilders zich een superioriteit aan die een democratisch politicus zich niet kan veroorloven. Je kan een ander niet het recht op het hebben en uiten van een mening ontzeggen en tegelijkertijd vinden dat je zelf "alles" moet kunnen zeggen.

Vrije meningsuiting en de verruwing van het debat

Over Wilders gesproken. Sommigen wijten de verruwing van het publieke debat, zoals dat de afgelopen jaren in Nederland zichtbaar is geworden, aan het feit dat 'tegenwoordig alles gezegd moet kunnen worden'. Ik kan me daar wel wat bij voorstellen. Het politieke debat lijkt soms een wedloop waarin harde bewoordingen en ongenuanceerde oneliners de boventoon voeren. En ook in het maatschappelijk verkeer lijken schreeuwen en schelden af en toe de nieuwe norm.

Maar ik geloof niet dat de oplossing daarvoor gezocht moet worden in het beteugelen van de vrijheid van meningsuiting. Dat je alles mág zeggen, betekent niet dat je verplicht bent dat ook te doen. De vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief voor kwetsen of schelden. Ja, alles moet gezegd kúnnen worden en afgezien van enkele uitzonderingen (ik kom hier dadelijk op terug) moeten hieraan geen beperkingen worden gesteld. Of het publieke debat op een beschaafde, respectvolle manier wordt gevoerd, is een kwestie van omgangsvormen en fatsoen dan van een regel in het Wetboek van Strafrecht.

Er zullen altijd mensen zijn het recht op vrije meningsuiting zullen gebruiken om opzettelijk te kwetsen of te shoqueren. Niet iedereen is nou eenmaal even goed in staat om op een verantwoorde manier met zijn rechten om te gaan. Maar moeten we de vrije meningsuiting, in mijn visie een universeel en onvervreembaar recht, dan maar voor iederen beperken? Dat lijkt me een slecht plan. Sommige mensen gaan niet verantwoord om met hun rijbewijs, met soms dodelijke gevolgen, maar we verbieden daarom toch niet iedereen om auto te rijden?

Bovendien lossen verbodsbepalingen niets op. Indien we iemand de vrijheid ontnemen om een bepaalde mening aan te hangen of te uiten, dan zal dit er waarschijnlijk niet voor zorgen dat deze persoon van mening verandert. Hij zal eerder het gevoel hebben dat hem de mond wordt gesnoerd. Op zijn minst zal hij zich beperkt voelen in het belijden van zijn overtuiging.

Nu zullen sommigen hier tegenin brengen dat ook het openlijk bediscussiëren van meningen of overtuigingen ertoe kan leiden dat mensen wiens mening ter discussie wordt gesteld, zich nog sterker dan voorheen aan hun mening hechten, dat de standpunten extremer worden en dat vijandbeelden worden versterkt. De wijze waarop opvattingen worden bediscussieerd maakt inderdaad wel degelijk verschil. Maar hiervoor zijn geen eenduidige spelregels op te stellen.

Is de vrijheid van meningsuiting absoluut?

Wie het voorgaande leest zou kunnen denken dat ik vind dat de vrijheid van meningsuiting absoluut is. Dat vind ik ook, althans in die zin dat de vrijheid van geweten een onvervreembaar grondrecht is. In een democratische rechtstaat als de onze mag daaraan nooit worden getornd. (Het zou goed zijn als democratische politici hier in het publieke debat geen enkele twijfel laten bestaan.) Hieruit volgt automatisch dat het hebben van een mening of het aanhangen van een bepaalde overtuiging, welke dat ook is, nooit onderwerp van strafrechtelijke vervolging mag zijn.

Het is echter wat anders indien het uiten van een bepaalde mening aanzet tot een strafbaar feit. Het aanzetten tot geweld of discriminatie zijn strafbare feiten en derhalve grond voor vervolging. En dat dient ook zo te blijven. Voorwaarde is wel dat er een aannemelijk verband kan worden aangetoond tussen de geuite opvatting en de gewelddadige handeling. In dat geval biedt het strafrecht uitkomst. Aan de strafbaarheid van het aanhangen van een mening of belijden van een overtuiging an sich dient echter een einde te komen, ook wanneer het godslastering of het ontkennen van de holocaust betreft.

Uit het voorgaande kan ook worden afgeleid dat het onjuist is om de vrijheid van meningsuiting te zien als een bedreiging is voor het discriminatieverbod. Dat tussen deze twee waarden een verband bestaat, is in Nederland gemeengoed geworden sinds Pim Fortuyn het discriminatieverbod aanmerkte als een belemmering van de vrijheid van meningsuiting. Niets is echter minder waar. Artikel 1 van onze Grondwet luidt: "Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan." Deze grondwettelijke bescherming betreft het handelen – niet het denken. Het garandeert eenieder gelijkheid voor de wet en beschermt eenieder tegen een onrechtvaardige behandeling. Het discriminatieverbod is dan ook van groot belang. De vrijheid van meningsuiting maakt geen enkele inbreuk op het non-discriminatiebeginsel zolang een opvatting over ongelijkheid maar niet resulteert in een ongelijke behandeling. Gebeurt dat wel, dan staat de weg naar de rechter open.

Terughoudendheid dient echter het devies te zijn. Dat geldt naar mijn mening zelfs als iemand uitspraken doet die stelselmatig stigmatiserend zijn voor een bepaalde bevolkingsgroep. Persoonlijk kan ik me enorm storen aan hoe er (veelal gemakszuchtig) wordt gesproken over 'dé allochtonen'. En ik vind de manier waarop Wilders praat over 'Marokaans tuig' verwerpelijk. En ik geloof best dat het stelselmatig gebruiken van dergelijke kwalificaties bepaalde denkbeelden kan voeden en ertoe kan leiden dat mensen tegen elkaar op worden gezet. Toch vind ik dat we niet al te snel naar juridische middelen moeten grijpen om hier iets aan te doen. Het veelgehoorde 'bijdragen aan een sfeer van haat' verwijst naar een in mijn ogen moeilijk aan te tonen oorzakelijk verband, en dient eerder door maatschappelijke weerstand bestreden te worden dan door beperking van het vrije woord.

Een onvervreembaar grondrecht

De vrijheid van denken, en dus het aanhangen van welke mening of overtuiging dan ook, over ieder onderwerp, is een onvervreembaar grondrecht en de kern van de menselijke vrijheid. Het kunnen uiten van die mening of overtuiging is hier onlosmakelijk mee verbonden. Het is praktisch onmogelijk om vast te stellen waar deze grenzen van deze vrijheid gelegd moeten worden. Bij het juridisch begrenzen van de vrijheid van meningsuiting past bovendien terughoudendheid. Het zijn vooral menselijke eigenschappen als ruimdenkendheid, het tolereren van andere meningen en respect voor degene die ze aanhangt die kunnen bijdragen aan een vreedzame uitkomst van het debat.

Zo ver zijn we in Nederland echter nog lang niet. Hoon, persoonlijke aanvallen en opzettelijke verdraaiing van de feiten vallen Rutte ten deel nadat hij het heeft aangedurfd het onderwerp op de agenda te zetten. "Alleen al het denken hierover is onverstandig", aldus premier Balkenende, die de opvatting van Rutte "beneden alle peil" noemde. Minister Verhagen stelde dat Rutte "het spoor bijster" is. Dat mogen zij vinden - de vrijheid van meningsuiting geldt ook voor christen-democratische politici. Maar het zou jammer zijn als zij met hun reacties de intentie hadden het debat de kop in te drukken nog voordat het is gevoerd.

Het is immers van het grootste belang dat politieke leiders met open vizier een debat durven voeren (en daar door de samenleving toe in staat worden gesteld) over fundamentele kwesties zoals onze grondrechten. Als ze dat doen op een oneerlijke wijze, of met valse motieven, dan mogen en moeten we ze daarop aanspreken. Maar laten we niemand veroordelen om het standpunt dat hij verkondigt, ook al is het niet het onze. Wat dat betreft onderschrijf ik vol overtuiging het pleidooi van John Stuart Mill, die precies 150 jaar geleden schreef: "Er moet de volste vrijheid bestaan om, als punt van ethische overtuiging, elke leerstelling te belijden en te bespreken, hoe immoreel men die ook mag vinden."

Menno van der Land

Politicoloog en initiatiefnemer van Het Vrijzinnig-Democratisch Forum

(4 juni 2009)