ZINNIG-DEMOCRATISCH FORUM
podium voor vrijzinnig-democratische politiek


Opinie

Hoe doorbreken we de wij-zij-tegenstelling? - door Menno van der Land

De nieuwe minister voor integratie, Ella Vogelaar, wil af van het wij-zij-denken in Nederland. Ze wil verzoenen, niet polariseren. Vogelaar slaat daarmee een heel andere toon aan dan haar voorgangster, Rita Verdonk. Dat is hard nodig, want de spanning in de Nederlandse samenleving is de afgelopen jaren eerder toegenomen dan afgenomen.

Vorig jaar bleek uit internationaal vergelijkend onderzoek dat Nederlanders zeer negatief staan tegenover landgenoten met een moslimachtergrond, veel negatiever dan de bevolking van andere westerse landen. Kort daarna publiceerde TNS-NIPO de resultaten van een opiniepeiling, waaruit bleek dat Nederlanders een steeds sterkere afkeer krijgen van ambtenaren die islamitische kleding, zoals een hoofddoek, dragen. Eén van de meest gehoorde redenen was dat mensen bij het zien van een hoofddoek moeten denken aan extremisme en terrorisme. Dit is een even eerlijke als onthullende argumentatie en laat zien dat veel mensen zich onbehaaglijk voelen als landgenoten uiting geven aan hun moslim-zijn. Door deze associatie werd de hoofddoek ook in Nederland het symbool van de angst voor terrorisme.

Afgezien van het schrikbarend grote aantal mensen dat deze mening deelt (volgens het genoemde onderzoek 70% van de bevolking) is het van groot belang dat we proberen in te zien wat hiervan de achterliggende oorzaak is. Waarom denken mensen bij het zien van iemand met een hoofddoek aan extremisme en terrorisme? Ik ben ervan overtuigd dat dit het gevolg is van de sinds 11 september 2001 sterk toegenomen aandacht voor islam en terrorisme en van manier waarop we in Nederland spreken over ‘de moslims’ en ‘de islam’. Als gevolg van de vaak ongenuanceerde benadering is er bij veel mensen een schijnbaar onlosmakelijke associatie ontstaan tussen islam aan de ene kant en (islamitisch) terrorisme aan de andere kant.

De hele discussie over integratie en de positie van moslims in Nederland, wat in feite een heel andere discussie is, is daardoor ernstig vertroebeld. Alles wordt in de sfeer van de dreiging van terrorisme getrokken. Voor nuance en inlevingsvermogen lijkt geen ruimte meer te zijn. Bij politici wint de behoefte om daadkrachtig over te komen, de media gaan mee in de in toenemende mate sensatiegerichte verslaggeving, ten koste van de zorgvuldigheid. Angst en emotie lijken nuance onmogelijk te maken. Het ene gelijk wordt tegenover het andere geplaatst. De ene reactie lokt de andere uit. Kort-door-de-bocht-redeneringen roepen reacties op die al even kortzichtig zijn. Met de wij-zij-tegenstelling en wederzijdse intolerantie als gevolg.

Natuurlijk zullen we ontkennen dat we alle moslims op één hoop gooien met terroristen, maar waarom hebben veel moslims dan het gevoel dat we dat wèl doen? Dat ligt echt niet alleen aan wat Rita Verdonk “de lage irritatiedrempel van moslims” noemde. We houden vaak te weinig rekening met de verschillende referentiekaders van moslims en niet-moslims en met de nuanceverschillen en interpretatieverschillen binnen de moslimgemeenschap zelf. In tegendeel: net als Geert Wilders hebben we de neiging om alle moslims over één kam te scheren en we houden ‘de islam’ verantwoordelijk voor recente terreurdaden. Makkelijke oplossingen, zoals het verbieden van hoofddoekjes, klinken misschien aantrekkelijk, maar sorteren vaak het tegenovergestelde effect, juist vanwege dat gebrek aan nuance.

Zeyno Baran, directeur Veiligheid van het Amerikaanse Nixon Centre heeft er tijdens een bezoek aan Nederland terecht op gewezen dat de wij-zij-tegenstelling zal blijven zolang wij in Nederland blijven spreken van autochtonen en allochtonen. Het zou een stap in de goede richting zijn als we, naar Amerikaans voorbeeld, zouden spreken over Marokkaanse-Nederlanders, Turkse-Nederlanders et cetera. Daarmee laten we zien dat ‘zij’ net zoveel Nederlander zijn als ‘wij’. Maar daarmee zijn we er uiteraard nog niet. We zullen moeten voorkomen dat de manier waarop we over terrorisme praten, bijdraagt aan verdere radicalisering en polarisering. Zorgvuldigheid is daarbij van groot belang. We moeten een zorgvuldig onderscheid maken tussen islam en radicale islam, tussen fundamentalisme en extremisme. En we zullen niet alleen vanuit ons eigen referentiekader naar oplossingen moeten zoeken, maar ook moeten proberen ons in te leven in het referentiekader van mensen met een moslimachtergrond. Hoe denken zij? Wat zijn hun overtuigingen? Hoe denken zij dat de spanningen in de samenleving kunnen worden weggenomen?

Dat moslimjongeren die in Nederland geboren en getogen zijn vatbaar worden voor extremisme, voorkom je niet door ze als terroristen te bestempelen. Natuurlijk moeten zij die bereid zijn daadwerkelijk geweld toe te passen worden opgespoord en aangehouden. Daarover zal iedereen het eens zijn. Maar hun ideeën over de gewapende strijd en hun gevoelens over de westerse samenleving worden niet bestreden door opsporing en vervolging. Alle deskundigen stellen dat deze ideeën zijn het gevolg van een complex aan factoren, waarbij het beeld van ‘de onderdrukte islam’ en de strijd tussen de islam en het westen een belangrijke rol lijken te spelen.

Aan dat beeld beeld dragen we zelf bij door de schijnbaar onlosmakelijke associatie die we creëren tussen islam en terrorisme, dezelfde associatie die ook de angst voor hoofddoekjes bij autochtone Nederlanders aanwakkert. Want net als het eerdere internationaal vergelijkende onderzoek laat ook het TNS-NIPO-onderzoek zien dat het mes inmiddels aan twee kanten snijdt: niet alleen keren moslims zich af van de maatschappij die hen als terroristen bestempelt, autochtone Nederlanders worden huiverig voor moslims omdat ze bang zijn dat het misschien wel terroristen zijn. Dit is een niet te onderschatten probleem: bevolkingsgroepen komen zo tegenover elkaar te staan en de cohesie van onze samenleving komt onder grote druk.

Door islam en terrorisme telkens in één adem te noemen, door beide fenomenen ongenuanceerd op één hoop te gooien, of door op z’n minst de suggestie te wekken dat ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de zo gevreesde radicalisering onder moslimjongeren eerder bevorderd dan tegengegaan. Slechts een zeer kleine groep geradicaliseerde moslims zet de stap naar het gebruik van geweld. Het telkens impliciet naar voren brengen van de relatie tussen islam en terrorisme plaatst een grote groep moslims in de hoek van terroristen. Dit bevordert het tegengaan van radicalisering en polarisering bepaald niet.

Het overgrote deel van de moslims in ons land verwerpt terrorisme net zo overtuigd als dat niet-moslims dat doen. Het overgrote deel van de moslims is gematigd (al dan niet belijdend) moslim. We moeten het wij-zij-onderscheid dan ook niet maken tussen autochtone en allochtone Nederlanders of tussen moslims en niet-moslims, maar tussen de kleine groep gewelddadige extremisten en de rest van de samenleving. Of zoals Zeyno Baran zegt: 95% van de Nederlanders (moslim en niet-moslim) staat aan de ene kant en aan de andere kant staat een kleine radicale sekte. Een kleine sekte die een eeuwenoud boek letterlijk wenst te interpreteren, maar zich daarmee totaal vervreemdt van de rest van de gemeenschap.

Er zijn slechts weinig politici die deze boodschap uitdragen. Het debat wordt beheersd door de schijnbaar daadkrachtige taal van Geert Wilders, die denkt dat een polarisatiestrategie een oplossing dichterbij brengt. Linkse politici hebben het in dit debat lange tijd geheel laten afweten. Tijdens de laatste verkiezingen durfden Bos en Halsema hun vingers niet aan dit gevoelige thema te branden. De enige partij die heeft laten zien oog te hebben voor zorgvuldigheid en nuance, is D66. Die partij wees die er terecht op dat sommige maatregelen slechts schijnveiligheid bieden, maar ondertussen wel hele bevolkingsgroepen stigmatiseren. Het is te hopen dat meer politici dit zullen gaan inzien.

Degenen die in reactie hierop zeggen dat het voor onze veiligheid van belang is dat we hard optreden tegen haatzaaiende imams en dat we veel te lang tolerant zijn geweest tegenover intolerante ideologieën, die hebben natuurlijk gelijk. Dat is ook zo. En natuurlijk mogen we van mensen die in Nederland leven vragen dat ze zich aanpassen aan onze samenleving, zich houden aan onze wetgeving en dat ze de taal leren zodat ze zich in onze samenleving staande kunnen houden. Maar waarom zou je je aanpassen aan een samenleving die je het gevoel geeft dat je er niet bijhoort? Zolang wij geen antwoord hebben op de vragen en de onvrede van moslims op het terrein van werkloosheid, onderwijsachterstand, uitsluiting en discriminatie, zal de radicale islam, met zijn even heldere als onwrikbare regels, aantrekkelijk blijven voor steeds meer moslimjongeren die perspectief en houvast missen.

We kunnen de ene beveiligingsmaatregel na de andere bdenken, maar we zullen het fenomeen van de radicaliserende moslimjongeren pas kunnen oplossen als we het debat hierover uit de sfeer van terrorisme halen. Om een antwoord te vinden op hun ontwikkeling, zullen we ons een duidelijker beeld moeten vormen van de achterliggende oorzaken. Mensen die houvast missen gaan op zoek naar houvast. Moslimjongeren die het gevoel hebben dat de Nederlandse samenleving hen geen perspectief te bieden heeft, die zich niet geaccepteerd voelen door hun niet-islamitische landgenoten, die vinden die houvast in de radicale islam. Die biedt een sociaal, moreel en politiek kader voor ze. Een kader waar ze op kunnen rekenen, die hun leven structureert, die heldere en eenvoudige regels geeft en antwoorden op vragen die wij als Nederlandse samenleving niet kunnen bieden.

Alleen door te voorkomen dat jonge mensen vatbaar worden voor extremistische ideeën, door de voedingsbodem weg te nemen, door de problemen te benoemen en bespreekbaar te maken, kunnen we een begin maken met het oplossen van het moeilijke probleem waarmee onze multiculturele samenleving zich geconfronteerd ziet. Pas dan kan het onderling vertrouwen groeien en kunnen we extremisten de mogelijkheid ontnemen om de nu vaak in een identiteitscrisis verkerende moslimjongeren vatbaar te maken voor ideeën die ze met hun rug naar de Nederlandse samenleving laten staan en ze ertoe aanzetten die samenleving desnoods met geweld te terroriseren.

Het is natuurlijk geen eenvoudig probleem. We hebben te maken met een complex maatschappelijk vraagstuk dat decennia lang vorm heeft gekregen. En dus zijn er geen eenvoudige antwoorden. Het is bijna nooit of-of, maar vaak en-en. En we lossen het probleem niet van vandaag op morgen op. Maar handelen uit angst leidt tot de verkeerde beslissingen. Met het doen van een handreiking en het bieden van perspectief komen we op de lange termijn veel verder.

Menno van der Land
politicoloog

Dit artikel is een bewerking van een artikel dat eerder verscheen op www.mennovanderland.nl

(15 mei 2007)