Opinie
Zwicht niet voor censuur - door Herman Vuijsje
Tegenwoordig mag je in Nederland bijna alles zeggen en schrijven. Ik denk dat we in ons land nooit een vrijer debatklimaat hebben gekend dan nu. Misschien zijn we daar al zo aan gewend geraakt dat we geen oog hebben voor de bedreigingen. Dit keer komen die bedreigingen niet voort uit politiek-correcte zelfcensuur, maar uit censuur die wordt afgedwongen door nationalistische en religieuze zeloten. Als we daaraan toegeven, is de kans dat we van kwaad tot erger vervallen levensgroot.
Begin vorig jaar kreeg Stanley Bremer, directeur van het Wereldmuseum in Rotterdam, onverwacht bezoek. Terwijl de opbouw van een tentoonstelling over Tibet en de Dalai Lama's in volle gang was, diende zich een delegatie van de Chinese ambassade aan. Beleefd doch dringend opperden de Chinezen een serie correcties in de presentatie. De 'verovering' van Tibet door China moest worden veranderd in 'bevrijding' en de Dalai Lama was niet gevlucht, maar had vrijwillig het land verlaten. Bremer en zijn staf raakten hierdoor in een moeilijk parket. Ze waren ook een tentoonstelling over China aan het voorbereiden. Bovendien heeft Rotterdam nauwe economische banden met China. Juist in die periode vertoefde burgemeester Opstelten met een grote zakendelegatie in zusterstad Shanghai. Maar, zei een woordvoerster van het Wereldmuseum: "We leven in Nederland en niet in China. We zijn een culturele instelling en cultuur staat voor vrijheid van meningsuiting." Het Wereldmuseum hield de rug recht en wist de poging van de Chinezen te pareren.
Bij de tentoonstelling 'Istanbul, de stad en de Sultan' in de Amsterdamse Nieuwe Kerk is het anders gelopen. Hier zwichtte de directie wel voor inmenging. Op aandringen van de Turkse overheid ontdeed zij de catalogus van passages over de Armeense genocide, homosexualiteit in het Ottomaanse Rijk en de stichting van Istanbul door Griekse kolonisten. Nederlandse turkologen die aan de catalogus zouden bijdragen, weigerden de gevraagde wijzigingen door te voeren. De Nieuwe Kerk besloot daarop de betrokken artikelen helemáál uit de catalogus te houden. Dat gebeurde volgens een woordvoerder van de Nieuwe Kerk "met respect voor zowel de auteurs als de Turkse overheid". Trouwens, die catalogus was maar 'een bijproduct', aldus directeur Ernst Veen. Wel had hij erg zijn best gedaan om de Turken te vermurwen, maar ja, ze wilden niet.
Daarmee heeft de Nieuwe Kerk zich gediskwalificeerd als serieus te nemen culturele instelling. Bewust gepleegde geschiedvervalsing en censuur op wetenschappelijke bijdragen zijn al erg genoeg, het droevige stalinistische gedraai over 'respect voor de auteurs' doet de deur dicht. Minstens even verontrustend is de reactie van de buitenwereld, of liever: het uitblijven daarvan. Van de gemeente Amsterdam, die de tentoonstelling mede mogelijk maakte via een garantiesubsidie uit het budget voor Verblijfstoerisme Stimulerende Evenementen, werd niets vernomen. Ook van andere culturele instellingen, musea en debatcentra kwam geen protest. Blijkbaar hebben zij er geen moeite mee als de centrale waarde waarop hun hele bestaan en functioneren berust, geweld wordt aangedaan. Een van de weinigen die zich wél uitspraken, was Stanley Bremer van dat Rotterdamse Wereldmuseum. Hij zei: "Als we hieraan gaan toegeven, zijn we verloren." Als we zwichten voor op het oog misschien kleine aantastingen van onze basiswaarden, zullen we steeds verder afglijden.
Bij eerdere pogingen om het vrije woord de das om te doen, ontstond grote ophef, toonden de betrokkenen zich vaak standvastig en sprongen collega's voor elkaar in de bres. Denk aan 1989, toen Salman Rushdie door een fatwa werd getroffen en schrijvers overal ter wereld zich solidair verklaarden. Ook in 2004, na de doodsbedreiging tegen Ayaan Hirsi Ali, nam een reeks schrijvers en journalisten het voor haar op. In 2001 was de voorgenomen opvoering van de opera Aïsha door het Onafhankelijk Toneel mikpunt. Nadat de Marokkaanse acteurs van moslimzijde waren bedreigd, werd het toneelstuk afgelast. Iets meer dan ene jaar geleden werd de Deense krant Jyllands-Posten ernstig door radicale moslims bedreigd vanwege de 'cartoonaffaire'. In veel Europese landen, ook in Nederland, toonden kranten zich solidair met hun Deense collega's door de cartoons ook af te drukken. Maar er doemen de laatste tijd ook gevallen op waarin dit soort standvastigheid niet meer vanzelfsprekend is. In juni 2006 censureerde het Utrechtse universiteitsbestuur het afscheidscollege van de judaïst Pieter van der Horst, die had willen spreken over antisemitisme in islamitische landen. De protesten waren niet uitbundig. Maart 2007 gelastte de universiteit van Leeds een lezing van de Duitse historicus Matthias Küntzel over hetzelfde onderwerp af, na klachten van moslimstudenten. En nu is er dus de relatieve stilte rond de zelfcensuur van de Nieuwe Kerk.
De fundamenten van onze maatschappelijke orde staan op het spel. Daarbij speelt ook een punt waaraan tot nu toe nog weinig aandacht is besteed. Door nonchalant met die fundamenten om te springen, brengen we niet alleen de in Nederland gekoesterde maatschappelijke orde in gevaar. We brengen daarmee ook schade toe aan de kansen van de islamitische minderheid om aan die maatschappelijke orde deel te nemen. De onderhuidse spanningen die in Nederland bestaan tussen autochtonen en islamieten, komen deels voort uit onzekerheid. Veel Nederlanders zijn onzeker over de houding van islamieten tegenover radicale moslims en moslimterreur. Door een samenspel van terughoudendheid in Nederlandse en islamitische kring zijn daarover geen betrouwbare gegevens voorhanden. Enerzijds verbood de politiek-correcte consensus het in kaart brengen van etnische groepen als afzonderlijke entiteiten; anderzijds speelde de geslotenheid van de moslimwereld een rol.
In de bundel Hoe nu verder? over Nederland na de moord op Theo van Gogh (2006) gokt arabist Hans Jansen dat zo’n twintig procent van de Nederlandse moslims tot de fanatieke islamisten behoort, terwijl vijftig procent zich niet openlijk afzet tegen de radicale islam en dertig procent 'afvallig' is. Een sleutelrol wordt dus gespeeld door de grote 'zwijgende' middengroep. Niet alleen doordat de fanatieke voorhoede zich daarin kan verschuilen, maar ook doordat het zwijgen van die groep een zware hypotheek legt op het beeld dat Nederlanders van 'de moslims' hebben. Als ze zich niet duidelijk uitspreken tegen fanatisme en terreur, zijn die moslims dan wel te vertrouwen? Door het gebrek aan goed onderzoek weten we weinig over de motieven van die zwijgzaamheid, maar het is niet moeilijk een plausibele reden te geven: angst. Het moslimradicalisme keert zich het heftigst tegen de 'afvalligen', een groep waartoe in de ogen van de fanatiekelingen alle gematigde moslims gerekend kunnen worden, schrijft Chris Ruttenfrans in bovengenoemde bundel. "Die gematigde moslims weten dat ook, en daarom horen wij zo weinig van hen." Wat Nederlanders al gauw aanzien voor heimelijke sympathie voor terroristen, kan dus heel goed neerkomen op angst. Zo wakkeren twee soorten angst elkaar aan, waardoor ook angst voor elkáár een voedingsbodem vindt.
Het is dus van onschatbaar belang dat dit angstig zwijgen van grote groepen moslims wordt doorbroken. Autochtone Nederlanders kunnen die doorbraak niet forceren, maar kunnen wel helpen zo goed mogelijke voorwaarden te scheppen. Hoe? Door in ieder geval het goede voorbeeld te geven en te laten zien dat zij zelf ernst maken met die maatschappelijke orde van dat volk dat niet voor tirannen zwicht. Doen we het tegendeel, zoals de Nieuwe Kerk deed, en houden we als omgeving onze mond daarover, dan moedigen we dat zwijgen in islamitische kring juist aan. Dan laten we zien dat we zwichten en zwijgen accepteren, ook als het niet om ons leven maar onze euro's gaat. Willen we de verstrengeling van angsten doorbreken, dan moeten we ons uitspreken en niet zwichten voor tirannieke druk. Angst mag het open debat niet in de weg staan.
Herman Vuijsje
socioloog, zelfstandig journalist en schrijver
Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad, gepubliceerd met toestemming van de auteur.
(17 april 2007)