Opinie
Christelijke onverdraagzaamheid treft winkelende burger - door Rein Zunderdorp
Het zou allemaal wel meevallen met de betutteling van het christen-linkse kabinet. De Christen Unie zou er niet op uit zijn minderheidsstandpunten op te dringen aan de niet orthodoxe meerderheid. Nu kent ons land een aantal wetten die gezien kunnen worden als een praktische pacificatie van principiële meningsverschillen tussen orthodoxe christenen en de gematigde en libertaire groepen 'van alle gezindten' die de meerderheid vormen. Dit is het geval bij diepingrijpende zaken zoals abortus en euthanasie. Maar nu ook bij veel eenvoudiger kwesties als de winkelsluiting. Ook hier gaat het uiteindelijk om de vrije keuze van autonome burgers, nl. om op zondag inkopen te kunnen doen, tegenover orthodoxe dogma's over een door God verordende collectieve rustdag.
De oplossing die de polderende wetgever hier in 1994 voor koos was een winkelsluitingswet die gemeenten de mogelijkheden biedt om 12 koopzondagen aan te wijzen en daar waar toeristen komen meer. Het aardige hiervan is dat de lokale democratie hieraan zelf een invulling geeft die past bij de lokale omstandigheden en de voorkeuren van burgers, ondernemers en werknemers. Van conflicten op enige schaal is geen sprake. De vakbonden hebben allang geregeld dat werknemers niet tegen hun wil op zondag hoeven te werken. Er is zelfs een forse groep werknemers die graag op zondag werkt bijvoorbeeld omdat men op andere dagen een opleiding volgt. Ook blijkt dat lang niet alle winkels open zijn, het gaat vooral om winkels waar mensen graag op hun gemak een keuze willen maken, zoals boekwinkels, antiekzaken, kledingzaken, meubelwinkels, cadeaushops etc.
In tegenstelling tot wat velen vreesden leidt het ook niet tot een meer gehaaste en overspannen consumptiedrift. Integendeel, veel mensen werken een hele week of een groot deel ervan (de zojuist door de politiek ontdekte hardwerkende Nederlanders), brengen op zaterdag kinderen naar en van sportvelden en moeten dan ook de wekelijkse boodschappen doen. Als dan ook op die dag nieuwe kleren moeten worden uitgezocht of andere niet dagelijkse aanschaffingen moeten worden gedaan ontstaat pas echt een overspannen situatie. In een land met meer arbeidsparticipatie, minder huisvrouwen, veel vrijwilligerswerk en mantelzorg is de mogelijkheid van het doen van inkopen op zondag zeker geen overbodige luxe, eerder een voorwaarde voor een enigszins hanteerbare weekagenda. En wie daaraan geen behoefte heeft doet het niet.
Toch is dit voor veel burgers nog geen realiteit. De wet is zeker geen voorbeeld van doorgeslagen individuele rechten, die ten koste dreigen te gaan van de legitieme rechten van anderen. Er bestaat onder deze wet geen recht van individuele burgers op geopende winkels in eigen gemeente. In gemeenten met een belijdende christelijke meerderheidsgroep zijn geen koopzondagen. Kortom de wet en de praktijk die we nu kennen is eigenlijk een aardig voorbeeld van een "typisch Nederlandse" (canon!) tussenoplossing dankzij vergaande decentralisatie van de besluitvorming. Uit het ook gisteren gepubliceerde grote 21minuten.nl onderzoek van De Publieke Zaak blijkt wat de bevolking ervan vindt. Terwijl de Nederlander van talloze onderwerpen vindt dat de overheid er meer aan zou moeten doen dan nu het geval is, is de kwestie van de zondagsrust daarop een grote uitzondering. Maar liefst 43% is van mening dat de overheid daarvoor niet of minder dan nu zou moeten zorgen en 28% vindt dat het kan blijven zoals het nu is. Bij elkaar ziet dus 71% van de bevolking geen aanleiding tot aanscherping van de regels en slechts 24% is daarvan wel voorstander. Gelukkig, zou je denken: eindelijk een kwestie waar geen probleem is, het kabinet hoeft daar dan in ieder geval geen energie in te steken.
Maar de Christenunie is hiermee niet tevreden en de ander regeringspartijen volgen gedwee. Het kabinet is van mening dat er misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om ten behoeve van het toerisme meer koopzondagen mogelijk te maken. Extra koopzondagen zijn er overigens in slechts 157 van de 443 gemeenten, maar het is het kabinet toch een gruwel. En dus moeten de regels worden aangescherpt en regelgeving worden gecentraliseerd. Het vertrouwen van de burger in de politiek is (volgens hetzelfde onderzoek) toch al tot een minimum gedaald, dus dit kan er ook nog wel bij. Opvallend in de argumentatie van het kabinet is bovendien dat men als belanghebbende actoren noemt: gemeenten, winkeliers, werknemers, omwonenden en mensen die van hun zondagsrust willen genieten. De gedachte dat, al dan niet hardwerkende, burgers het beste zelf kunnen uitmaken op welke dagen zij welke inkopen doen, komt blijkbaar niet op. De orthodoxe betutteling blijft als een veenbrand voortgaan.
Ik troost me met een ander gegeven uit het genoemde onderzoek waaruit blijkt dat 83% van de bevolking op de vraag welke instantie het meest verantwoordelijk is voor de instandhouding van de democratie, antwoord: de burger zelf! Ik denk dat het kabinet hier zijn hand overspeelt en zichzelf in eigen voet schiet. De betutteling richt zich nu eens niet op ingewikkelde morele kwesties, maar op een non-probleem waarbij heel veel burgers 52 keer per jaar betrokken zijn.
Rein Zunderdorp
voorzitter van het Humanistisch Verbond
(9 oktober 2007)